Archive for the ‘internet’ Category

Een Oude Ray Gun (1)

zondag, februari 28th, 2010

raygun.jpg

Toen de Berlijnse Muur viel in 1989 was ik 13. Op de lagere school leerden we tot dan toe over het IJzeren Gordijn. Ik geloof niet dat ik echt doorhad wat dat inhield, ik zag alleen een stug waaierend gaasgordijn voor me, in de geest van Christo’s kunstwerken. Het klonk wel mysterieus.
Toen Tito nog leefde, was Joegoslavie een goed bezocht vakantieoord, Dat leek mij ook erg exotisch. Mijn oma, die samen met mijn opa Joegoslavië als vakantiebestemming had bezocht zei vaak tegen me dat de tijd nog wel zou komen dat ik zelf met het vliegtuig zou gaan reizen. Dat was natuurlijk een geweldig vooruitzicht.
Als ik uit logeren was bij mijn andere oma, Beppe, las ik de oude meisjesromans die daar in de kast stonden. Joop ter Heul, Herrie-Let. Hopeloos ouderwets. Een wereld waarin meisjes, als ze niet meteen een gezin stichtten na school, als typiste op een kantoor werken tot ze door een fatsoenlijke jongeman het hof werden gemaakt.
In de Gerda Omnibus, schopt Gerda het tot stewardess en daarnaast slaat ze ook nog een piloot aan de haak (ook adopteren ze een kindje uit Afrika, dat de piloot liefkozend zijn ‘koffieboontje’ noemt. Dat soort koloniale termen kunnen toch echt niet meer zou je zeggen, toch werd er een tijd terug in het dating-programma Take Me Out een gelijkwaardig staaltje ten beste gegeven. Oy Vey!)

Toen ik 13 was, kon ik me sowieso niet zoveel over de toekomst voorstellen. De plaatsen waar het allemaal scheen te gebeuren leken zo ver weg. Ik was op m’n elfde een keer naar Ahoy in Rotterdam geweest. Samen met mijn vader, die ik als een man van de wereld beschouwde, nam ik de trein naar deze metropool. We gingen met de metro naar Ahoy. Ik at mijn eerste pizza daar in een winkelcentrum.
Daarvoor was ik eens met Beppe meegegaan toen ze haar nicht in Leeuwarden bezocht, deze nicht woonde driehoog. Eén blik op het trappenhuis in de portiekflat en ik wist dat ik altijd een balkon boven een achtertuin zou verkiezen. Mijn eigen Manifest Destiny heeft daar haar wortels.

De beelden van huilende, juichende mensen op tv, toen de Muur openging; ik zag het op tv en wist dat ik naar iets keek wat ook in de daaropvolgende decennia als iets belangrijks zou worden gezien. Maar zo voelde het helemaal niet.

Vorig jaar, tijdens een hangweekend bij vriendin M bekeken we haar oude agenda’s. Blijkbaar hadden we in 1992 dezelfde agenda gehad, want ik herkende de Pall Mall reclames, het verslag van de modellenwedstrijd, en de veilig vrijen campagne. De eerste zin van de Pall Mall advertentie is, nu ik terugkijk, onbedoeld grappig: “Ik zei nog zo, linksaf!” Verdwaald in een ruig lanschap, poseert een nors kijkend stelletje in stoere kleding. Iets met een fourwheel drive en veel zand. Internet stond in de kinderschoenen en gedrukte media was nog oppermachtig. In het boek “Standing On The Shoulders Of Giants” worden de “Masters of Advertising”  (2001, Hermann Vaske) geïnterviewd waaronder George Lois en Jerry della Femina (die eens een presentatie aan een klant gaf waarbij hij deed of hij voorlas, in werkelijkheid stond hij met een leeg vel papier in handen).
Sommige advertenties uit die tijd hebben werkelijk lappen tekst voor hedendaagse begrippen.

Toen ik midden in de jaren 90 zat vond ik dat decennium ondefinieerbaar. Terugkijkend valt er genoeg te categoriseren. In 1992 was ik blij dat die belegen jaren ‘80 eindelijk voorbij waren. Ik was ervan overtuigd dat de jaren ‘90 stijlsgewijs een enorme vooruitgang zouden zijn en dat er een breuk zou worden gemaakt met alles wat 10 jaar daarvóór hip was. Mijn denkfout was dat ik dacht dat ik wist wat stijl was.

Tijdens lessen op de kunstacademie (1995) waren studenten als een gek tijdschriften aan het verknippen en plakken (laatst keek ik met vrienden de serie ‘Lipstick on your Collar’ van Dennis Potter, en toen zei iemand tijdens de kantoor-scènes: “Kijk eens naar die bureaus. Geen computers. Alleen maar papier.”). Het magazine Rails was gewild. In de trein van en naar Kampen werd de kreet “rails hoort thuis in de trein” niet gehoord.
Begin vorig jaar bezocht ik het Moma in New York, waar op dat moment een expositie van George Lois te zien was. 32 van de door hem ontworpen Esquire covers uit 1992 werden geëxposeerd. Ook de werkwijze van George Lois kwam aan bod.
Het was verfrissend om te zien hoe zijn concepten zonder nullen en enen tot stand kwam.

Bladen die we gaaf vonden waren o.a. Blvd (tot Gert Jonkers het voor gezien hield als hoofdredacteur), Interview, de gebonden Mediamatic issues met interactieve cd-roms, Fringe, en natuurlijk de Ray Gun, met als held de artdirector David Carson. Nu ik een OV  studentenkaart had, ging ik regelmatig naar Amsterdam, waar ik uren doorbracht in het American Book Centre en Athenaeum.

Ik heb nog steeds stapels Blvd’s thuis liggen. Een oude Metropolis M (Revolt!) ligt op de stapel nieuwere issues, maar wat ik bovenal koester is #71 van Ray Gun, met Chris Cornell op de cover. Als ik dat nummer doorkijk is het of ik over m’n schouder terugkijk naar de tijd waarin het blad vers van de pers was, en niet half aan gort gesneden door een fileermesje. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dit blad oorspronkelijk niet van mij is. Het was van π, en hij en zijn fileermesje waren toentertijd onafscheidelijk. Het nummer is altijd blijven rondslingeren tot aan ons samenwonen in Arnhem aan toe. Tijdens ons uiteengaan en het hele cd-van-jou-cd-van-mij gebeuren ben ik eerlijk geweest in het verdelen. Maar ik was erg gehecht geraakt aan die Ray Gun, en ik had het idee dat het blad me meer vertelde over 1999 dan al mijn dagboeken uit die tijd ooit zouden kunnen zeggen. Dus nam ik het mee.

Interviews met bands die de melktand des tijds niet hebben doorstaan, de Silver Tab reclames met illustraties (de tekengolf was net weer aan het opkomen) de sneakers met alternatieve sluitingen. Zaterdagmiddag in kleermakerszit op de grond, schetsend, tijdschriften en boeken lezend met Sublime, Pavement, of Jane’s Addiction op de achtergrond. Een instant sentimental journey. Er kwam zoveel nieuws op m’n pad en tegelijkertijd weet ik nu hoe vreselijk naïef we toen waren.

David Carson had bij het verschijnen van # 71 de redactie van Ray Gun allang verlaten. Carson is natuurlijk enorm bekend geworden door zijn onorthodoxe layouts en gebruik van fonts. Zijn stijl van typografie suggereerde het einde van geprinte media (gezien de groeiende populariteit van internet), verschilende typefaces werden doorelkaar gegooid, zodat tekst een onontwarbare kluwen werd, waar geen touw meer aan vast te knopen was.

In de tweede helft van de jaren ’90 verspreidde internet zich snel. Ik begon Netscape sympathiek te vinden en heb nooit aan het logge en onelegante Internet Explorer kunnen wennen. Toen ik doorkreeg hoe je informatie moest zoeken was ik uren zoet. Ik zocht websites op die door magazines werden aangeprezen (o.a. baader-meinhof.com)

Op nieuwjaarsdag 2010 keek ik ’s middags een film “A Chance of Snow”, die, erg genoeg, op imdb.com nog een 5,9 scoort ook. Het gaat over een echtpaar met kinderen. De ouders willen gaan scheiden, maar ze komen vast te zitten op een vliegveld. Michael Ontkean speelt de overspelige man, en geloof me, je wilt Sherrif Truman uit Twin Peaks niet in zo’n draak van een film zien.

Ik probeerde te raden in welk jaar deze film was gemaakt. Mijn gok was 1989/90. Op de aftiteling stond 1998.

Late nineties romcoms have abosolutely abysmal costume departments, merkte een Facebook vriendin laatst op. En ze heeft gelijk. Toch heeft “A Chance Of Snow”. iets troostends. En dat sentiment hangt ergens tussen ‘wat liepen we er toen vreselijk bij’ en misschien stiekem toch al een beetje nostalgie. Toen er nog geen Iphone was, maar we status ontleenden aan het Swatch horloge.
In het boek Generation X, Tales for an accelerated culture (1991, Douglas Coupland) deelt een van de hoofdpersonen een dierbare herinnering met zijn vrienden. Hij vertelt dat hij zelfs tijdens moment al heimwee had terwijl de gebeurtenis nog in volle gang was.

Mattel, Reaganomics, kernwapens. Swatch, Golfoorlog, Green River Killer.
In elk decennium zijn er rottigheden en ellende, maar tot m’n 16e was ik redelijk afgeschermd (en op de academie las ik geen kranten). Ik leefde ook een beetje in m’n eigen fantasiewereld, dus mijn beeld is enorm vertekend. Dat is misschien maar goed ook; ik heb me per slot van rekening genoeg zorgen gemaakt over het verdwijnen van de aardlagen en zure regen, als 10-jarige, voor het slapengaan.

raygun2.jpg

Een Oude Ray Gun (2)

zondag, februari 28th, 2010

raygun3.jpg

De tijdlus waarin iets van  ‘cool’, naar niet cool gaat en vervolgens hernieuwd succes krijgt, lijkt steeds korter te worden. Hipsters/ scenesters dragen kleding die behoorlijk fugly zijn, maar door hun ‘ironische’ waardering van die lelijkheid wordt het dragen ervan weer ok. Tevens wekken hipsters de indruk dat ze totaal onverschillig staan tegenover hoe men op anderen overkomt. Alle marginale subculturen worden op een hoop gegooid, authenticiteit wordt opzettelijk gepresenteerd als afgeragd. Alles is referentie.
En daar steekt een ander fenomeen de kop op, in 1993 geïntroduceerd door de filosoof Jacques Derrida in zijn werk “Spectres de Marx”, namelijk Hantologie (Hauntology).

Hauntology is de tegenpool van nostalgie. De term is een portmanteau van Haunt en ontology. De term geeft aan dat het heden alleen kan bestaan in relatie tot het verleden. Derrida stelt in zijn werk uit 1993, Spectres of Marx, dat “aan het eind van de geschiedenis” (refererend aan het essay van Francis Fukuyama uit 1989), men standpunten over ideeën, die eerder als archaïsch en ouderwets werden bestempeld, zal herzien. Men richt zich niet zozeer op het feitelijke verleden alswel op de ‘geest’ van het verleden.
De scheidslijn tussen het verleden, heden en toekomst is dun. Het heden wordt altijd door verleden en toekomst beïnvloed, ze overlappen elkaar. Hauntology gaat in die zin over het Shakespeariaanse ‘to be or not to be’, een nogal paradoxale staat van ‘zijn’.  Het concept “geest” behoort noch tot het heden, noch tot het verleden.

Derrida’s idee is gebaseerd op Karl Marx’ bewering dat “Un spectre hante l’Europe - le spectre du communisme.”. Derrida stelt dat de geest van het communisme aan relevantie heeft gewonnen na de val van de Muur. Omdat Europa nu herenigd is, en er geen lijden meer is onder een dictatuur, is ze geïsoleerd van het lijden dat zich in de rest van de wereld afspeelt.  Als gevolg hiervan zal de interesse voor het communisme binnen Europa uiteindelijk weer toenemen.

Ik heb boeken gelezen over het Kafka-eske karakter van de DDR en ik kan me niet voorstellen dat men, Ostalgie ten spijt, weer terug zou willen naar het communisme. Inwoners van de voormalige DDR zijn hier en daar wel sympathisant, dat kan ik me ook wel voorstellen gezien de manier waarop de hereniging tussen Oost- en West-Duitsland heeft plaatsgevonden. Maar ik krijg er een ‘vleespotten van Egypte’ gevoel bij.

Volgens Fukuyama ging de evolutie van de geschiedenis altijd over de strijd tussen verschillende overtuigingen. Dat gevecht wordt beslecht na de Koude Oorlog en de val van de Muur, zo schrijft hij in zijn boek “The end of History and the last Man”. De constitutionele democratie zal als ultieme regeringsvorm worden gezien, politiek- en economisch liberalisme zullen zegevieren.

Maar economisch liberalisme valt vaak samen met kapitalisme. In een tv-interview uitgezonden door de ZDF, zegt de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace dat de werking van het kapitalisme en het aanzetten tot consumeren een goed systeem is om een economie draaiende te houden, maar dit is niet geschikt voor het sociale aspect van de maatschappij. Naar aanleiding van de crises die ons in de Noughties hebben geteisterd zie je niet de saamhorigheid die werd beschreven tijdens bijvoorbeeld de Grote Depressie in de jaren ‘30 in de V.S., zo redeneert hij. Men sluit zich nu op in een SUV, men sluit zich af in dit tijdperk van verregaande individualiteit.
De invloed van het kapitalisme doet zich gelden op het culturele vlak, zo stelt ook Fredric Jameson in zijn werk “Postmodernism, or, the Cultural Logic of Late Capitalism” (1991).  Culturele innovatie stagneert. Entertainment entertaint slechts en daagt niet uit.

Een geschiedenisdocent op de Havo tekende eens een lijn op het schoolbord. Aan de ene kant van de lijn noteerde hij “extreem links”, aan de andere kant “extreem rechts”. Daarna vervormde hij deze rechte lijn tot een cirkel. Extreem links en rechts stonden ineens vervaarlijk dicht bijelkaar. Verregaande individualiteit en grijze massa zijn minder grote tegenpolen dan ze ons toeschijnen. Een voorbeeld is hoe internet (sub)culturen versneld verspreidt. De mainstream bestaat bij de gratie van de marge. Invloeden uit marginale bewegingen worden opgepikt, ontdaan van de scherpe randen en gepresenteerd als nieuw en origineel. American Apparel is wat dat betreft een McDonalds op het gebied van kleding geworden.

Misschien dat Hauntology daarom weer overal opduikt. Muzikanten als Ariel Pink, Burial, en Washed out maken in hun muziek gebruik van het Hauntology uitgangspunt. De nummers van Burial refereren niet zozeer aan de rave scene, ze roepen een vaag idee op van die scene, zonder er een concrete uitspraak over te doen. Ik las in een recensie van zijn album “Untrue” dat de muziek nog het meeste het gevoel na een rave weergeeft, de lege dansvloer, de pillen die zijn uitgewerkt. Een verlangen naar iets dat nooit echt was.

Ariel Pink’s muziek klinkt als een kapotte transistorradio, maar zijn liedjes zijn bijzonder catchy, en ondanks de schijnbaar nonchalante uitwerking voelen de nummers als echte liedjes. Brian Wilson is een grote invloed, maar Ariel geeft aan die invloed een geheel eigen draai, alsof zijn nummers in een parallel universum zijn opgenomen.

Washed Out klinkt als muziek die ik vroeger als 10-jarige goed had gevonden, iets wat de oudere zussen van mijn vriendje op hun slaapkamer gedraaid zouden hebben (Washed Out klinkt bekend en nieuw tegelijk. Je denkt dat je de tracks herkent, en tegelijkertijd weet je dat dat niet zo is). Bij gebrek aan een eigen oudere zus, keek ik enorm tegen hun op, met als gevolg dat ik alles omarmde wat zij interessant vonden. Washed Out is geen vingeroefening in het retro spandex jaren 80 kunstje, maar meer etherisch. Nadat je in Club Tropicana in dat zwembad bent gesprongen, word je overspoeld door een verlangen op te gaan in de kleuren en indrukken om je heen. “Feel it all Around”.

Zelfs J Dilla wordt zijdelings geassocieerd met Hauntology, omdat zijn nummers een bric à brac zijn van geluidjes, vage effecten, en obscure non referenties.
Horen we muziek in het toevallig samengaan van geluiden?

Ik las dit op internet en vond het een heel mooie verwoording van wat Hauntology in muziek nu ongeveer behelst:
[…]music as recorded artifact, facing both backwards and forwards simultaneously, an inscripted trace that is neither presence nor absence but a spectral apparation that both references and eludes such binary oppositional catagories (sic)[…]
(gepost door ‘John Doe’ op dissensus.com)

Zo nu en dan sla ik die oude RayGun weer open, de modereportages ogen nog best fris, zo ook de spreads met daarin een item over “ Best of Graduate Fashion Week” in Londen. Ik probeer de inhoud met nieuwe ogen te zien. Want hoe oud een tijdschrift ook is, als het je herinnert aan waardevolle gebeurtenissen, momenten, ideeën, vind je tussen de regels, of als je net wegkijkt, iets anders, iets wat voor jezelf -zelfs 13 jaar na dato- weer relevant kan zijn.

raygun4.jpg

Mindmaps

woensdag, december 17th, 2008

 

 

Wanneer ik bezig ben met ideeën voor bijvoorbeeld een serie tekeningen, probeer ik informatie en ingevingen te ordenen. Dit gebeurt meestal met behulp van pen en papier. Het resulteert vaak in een soort van mindmap.

Ik vraag me soms af of ik te chaotisch ben voor mindmappen. Er hangt een papiertje aan de muur van mijn werkruimte, waarin elk woord en elke term op zijn beurt weer is verbonden met alle andere woorden en termen die op het papiertje voorkomen. 

Op internet vond ik mindmaps, gemaakt door mensen die het wel heel goed kunnen. Organische analyses die beeldend ook nog eens bijzonder mooi zijn. En heel uiteenlopend, in zowel vorm als onderwerp.

 

 

mindmap.jpg   mindmap2-copy.jpg   mindmap3.jpg    

Godflesh en film

vrijdag, december 12th, 2008

In het cd-boekje van het album “Selfless” (1994) van Godflesh prijkt een filmstill uit “Meshes of the Afternoon” (hier beneden, links) van Maya Deren. (wiens films kunnen worden geschaard onder het Surrealisme, zoals de films van Buñuel en Cocteau). Toen ik de cd aanschafte wist ik dat niet. Maar het artwork van Godflesh’ albums is merkwaardig en lijkt uit een context gegrepen, alsof je meer beelden nodig hebt om dat ene moment te begrijpen. Nu weet ik waarom. De beelden (in ieder geval de eerste 5 à 6 platen/remixes) komen uit (underground) films.

selfless2.jpg

Ik had over “Meshes In the Afternoon” gelezen in het boek “Lost Highways” van Jack Sargeant en Stephanie Watson. De films van Maya Deren schijnen een grote inspiratie voor David Lynch te zijn geweest. Als rechtgeaarde Lyncheonite ging ik op zoek naar het werk van deze Deren. Wat is Youtube dan een paradijs, een virtuele film-o-theek om uren in rond te struinen. Granted, er staat allerhande rotzooi op van mensen die in de veronderstelling verkeren dat hun filmische grappen en grollen wereldkundig moeten worden gemaakt. Maar tussen de enorme bult stinkend kaf is ook welriekend koren te vinden.

merciless-copy.jpg

Ik ben op sites als Amazon en Bol.com nooit zo geïnteresseerd in de ‘mensen-die- dit-leuk-vinden-kochten-ook’ feature. Op Youtube kan ik er geen genoeg van krijgen; ik klik door en door op de suggesties die rechts op mijn scherm verschijnen. Zo ook op Wikipedia; uiteindelijk weet ik niet meer met wat voor zoekopdracht ik aanvankelijk begon en voelt het alsof ik in een hele grote bibliotheek ben verdwaald. Right on!

De ongemakkelijke atmosfeer van “Meshes”, de hypnotiserende muziek, het onvermogen om droom en werkelijkheid van elkaar te kunnen onderscheiden maakt de brug naar Lynch’s werk makkelijk oversteekbaar. Scènes in de film Lost Highway, bijvoorbeeld, spiegelen scènes uit Meshes, maar al te letterlijk hoef je die referentie niet te nemen; wat overeenkomsten betreft is het ongrijpbare, het surreële, het onnoembare, interessanter en hoeft niet als zodanig doodgeanaylseerd te worden. Ik bedoel; Lynch films analyseren is zó 1992, get real!

streetcleaner2.jpg

Nu had ik het boek “Lost Highways” in 1999 aangeschaft, maar You- of wat voor tuberigheden waren niet te vinden op internet. Ik had ook nog geen internet thuis, laat staan een computer.

Maar in dit  FIY (film it yourself) tijdperk worden ook films die tot de cinematografische onderstroom behoren (Meshes of the Afternoon, Lucifer Rising, Flaming Creatures, Desperate Living, Hold Me While I’m Naked, Thrust In Me, en X is Y, om er een paar te noemen) ge-upload. Gewoon zoeken en blijven zoeken. Er bestaat een goeie kans dat datgene wat je zoekt ten langen leste op Youtube verzeild raakt.Copyrightsgewijs weet ik niet hoe de vork in de steel zit. Maar het feit dat deze films (alas, soms maar ten dele) nu ergens te zien zijn is naar mijn mening een goede zaak. In het boek “Deathtripping, The Cinema Of Transgression” (ook door Sargeant) staan distributie-adressen waar je de films in kwestie zou kunnen bestellen. De eerste druk dateert uit  1995, dus dvd of Blueray zit er helaas niet in. Zelfs ìk heb mijn videorecorder ten grave gedragen, dus Youtube is een regelrechte uitkomst.

De Cinema of Transgression-beweging (lees hier het manifest), waarover wordt geschreven in het gelijknamige, hierboven genoemde boek, ontstond in de jaren ‘80 van de vorige eeuw, en was min of meer verweven met de No Wave muziekscene (Sonic Youth, Foetus, Swans, Lydia Lunch, Glenn Branca) in New York.Deze zogenaamde No Wave Cinema werd later aangeduid als Cinema of Transgression. De term werd bedacht door Nick Zedd, om een ondergrondse filmbeweging aan te geven die zich onderscheidde door gebruik te maken van shock-effecten, humor en trash-ethetiek.

Jack Smith (Flaming Creatures) en Kenneth Anger (Lucifer Rising) waren enkele  inspiratoren c.q. gangmakers van de transgressionele filmbeweging. Richard Kern (X is Y) schoot een videoclip voor Sonic Youth (Death Valley 69) waarin de bandleden als een soort van Manson Family worden getypeerd.(Saillant detail: Bobby Beausoleil, die de muziek componeerde voor Kenneth Angers’ cult klassieker “Lucifer Rising” sloot zich aan bij de Manson Family. Hij had ruzie gekregen met Anger en had het grootste gedeelte van de originele film in bezit. Het gerucht gaat dat de film in de woestijn, waar de Family hun kampement had opgeslagen, is begraven). Ook Lung Leg, een underground film-icoon, speelde in de clip van Death Valley 69, alsmede in films van Kern (I Killed You First).

Ook dichteres/zangeres Lydia Lunch was (en is) zowel in film als muziek te vinden; ze bracht albums uit (Oral Fixation, Queen of Siam) en ze werkte samen met Foetus op het de mijn ogen magistrale plaat YORK. Lunch maakte de film “Right Side Of my Brain” en speelde o.a. in “Black Box” van Beth B.

Het nummer “(0-0) Where Evil Dwells” van Wiseblood (Foetus en Roli Mosimann, de drummer van Swans) verwijst naar de gelijknamige film van transgressie-filmers David Wojnarowicz en Tommy Turner, over Ricky “The Acid King” Kasso, een 17-jarige scholier uit Northport,Long Island die in 1984 een leeftijdsgenoot vermoordde en vervolgens zei dat Satan hem daartoe had aangezet. Niet lang daarna pleegde hij zelfmoord in de gevangenis. Ook “Satan Is Boring” van Sonic Youth gaat over Kasso.

Terug naar Godflesh. Ontstaan uit de groep Fall Of Because brachten zij in 1989 hun eerste album “Streetcleaner” uit. De tracks op deze plaat (en de albums die daarop volgden) zijn apocalypisch, doordrenkt met nihilisme en frustratie (Een drummachine, die vooral tijdens de eerste platen dienst deed als ritmesectie, werd keurig gecredit als “drummer”. In het nummer “Perfect Skin Dub” (Slavestate, 1991) loopt de drumcomputer op een gegeven moment in en uit de maat; deze is iets te snel afgesteld).De langzaam dreinende gitaren maken de muziek intens en zwaar. Een soort van marteling. De sound van Godflesh herbergt invloeden van Brian Eno, Black Sabbath en Swans (een eeuwig terugkerend onderwerp; bands geïnspireerd door Swans braken door, dit in tegenstelling tot de Swans zelf. In een live chatsessie een paar jaar geleden met Swans voorman Michael Gira en (muzikale) partner Jarboe werden er ook herhaaldelijk vragen gesteld als: “Don’t you agree Godflesh ripped off your sound?” Gira reageerde niet op deze opmerkingen).

pure2.jpg

De eerste albums kocht ik devoot, de latere (vanaf 1996) boeien me minder. Dat komt omdat ik niet zo van metal hou en ik heb het gevoel dat de gitaren daar meer als rock-element aanwezig zijn. De eerst platen van Godflesh hebben iets ondefinieerbaars, iets machinaals gecombineerd met een zekere droefheid en menselijk falen. Dat is tegelijkertijd wat me zo fascineert aan het artwork van deze band; ze refereren aan films door stills in cd boekjes af te drukken en creëren zo een eigen universum, de beelden vormen een schijnbare eenheid terwijl ze bijelkaar zijn gezocht, een combinatie zijn van totaal verschillende rolprenten. Dat is wat snapshots doen; door hun vluchtigheid suggereren ze bijna automatisch een achterliggend verhaal.

Nadat ik “Meshes” had bekeken googlede ik met de zoekterm “Maya Deren Godflesh”. Hier is een complete pagina gewijd aan de verzameling beeldmateriaal in cd-boekjes en hoesjes van Godflesh.

De stills voor de cd-boekjes zijn bijna allemaal gefotografeerde tv-beelden (door de bandleden zelf. Ik ben er niet uit of dat nu onder de noemer ‘citeren’ valt; daarvoor leunt de opmaak teveel op de filmbeelden). Soms lijkt er ingezoomd; maar net als in “Lost Highway” van David Lynch waarin Fred een videotape afspeelt waarop het afgeslachte lichaam van zijn vrouw Renee wordt getoond, maakt inzoomen het onderwerp allen maar diffuser, complexer, onduidelijker. De grofkorrelige ontoereikendheid van het tv- scherm voegt iets toe aan de geleende beeldtaal van Godflesh. Technologie als kille vastlegger, emotie wordt onverschillig weggefilterd.

slavestate.jpg

Smugopedia

donderdag, oktober 30th, 2008

Wanneer ik het wereldwijdeweb opstart is Overheard in New York mijn beginpagina. Daarop staat al een tijdje een reclamebanner. “Smugopedia; pretend you know better.”
(De loyaliteit aan browsers geeft trouwens stof tot hevige discussies. Ik begon met Netscape, die mij initieerde in de wondere virtuele wereld. Dat was in de computerwerkplaats van de kunstacademie. Toen ik zelf een computer aanschafte  raakte ik op een of andere manier  opgezadeld met Internet Explorer. De evil twin van Netscape. Ik voelde me verraden. Inmiddels gebruik ik als rechtgeaarde Appler Firefox. Internet  Explorer is de Rita Verdonk  onder de browsers. Ik hou niet van de look and feel van IE en er zijn goede technische redenen aan te voeren  waarom  IE zo fnuikend is. Deze argumenten zijn, bij monde van een whizzkid, zeer plausibel en steekhoudend en dat ik die redenen nu niet meer verbaal kan reproduceren moet maar voor lief worden genomen. Daarom de analogie. De look and feel van Rita Verdonk. You do the math)

Het heeft een tijdje geduurd voordat ik daadwerkelijk op die banner klikte. Dit is te wijten aan a) dat ik soms gedachteloos kijk en daarna pas registreer wat  ik heb gezien (Je kent het wel; je zit  in de trein tegenover een vrouw. Ongeveer tien minuten na het verlaten van de treincoupe denk je ineens bewust aan die teenloze Ugg laarzen die ze droeg), en b) de griezelverhalen die de ronde doen op verjaardagfeestjes van mijn ouders. Mijn oom vertelde eens dat een kennis van hem zijn computer overgenomen zag worden door een hacker. Die kon vanachter zijn eigen computer aan de andere  kant van de wereld de muis van deze kennis  over het beeldscherm bewegen. Ook het cd-rom laatje ging oncontroleerbaar open en dicht. Dit tot ontzetting van de rest van de familie, die dit met afgrijzen aanhoorde.
Nu geloof ik niet dat mijn ouders web-savvier dan ik zijn (alhoewel mijn vader een automatische handtekening onder zijn mails heeft. Zover ben ik nog niet) maar hun wantrouwen jegens colporteurs en credit cards vertaalt zich feilloos naar de virtuele wereld. De generatie waar  mijn ouders deel van uitmaken kijkt namelijk naar de programma’s “Kassa!” en “Radar”.

Nu zie ik elke ochtend allerlei links kond’ doen van een veelvoud aan geweldig nieuws, zoals KLIK HIER U HEEFT GEWONNEN DIT IS GEEN GRAP tot RIJPE VROUWEN IN UW POSTCODEGEBIED en vooral ook U HEEFT EEN GREEN CARD VOOR DE VERENIGDE STATEN GEWONNEN KLIK ALS HET FLITST.
Nu kan er bannersgewijs kaf van koren worden gescheiden; de schreeuwerige vensters die ineens tevoorschijn schieten (ONLINE  POKER WIN NU 1.000.000.000.000.000. Mijn vader waarschuwde me ook  voor het wegklikken van pop-ups. Het wegklikken staat dan blijkbaar gelijk aan ‘ja, graag, count me in!’ en dan krijg je ineens stapels rekeningen thuisgestuurd en wordt er geld van je bankrekening gehaald) verschillen nogal met de wat subtielere uitingen die er zijn simpelweg omdat ze gezien moeten worden. Zoals de link naar Smugopedia.

smug.jpg

Smugopedia parodieert kennis  zoals die op Wikipedia wordt verzameld. Wikipedia is hartstikke handig, maar of alles in deze online encyclopedie  ook echt waar is valt te betwijfelen.
Smugopedia gaat de andere kant  op; alles is een mening, pure subjectiviteit. Pedante observaties over het werk van Kubrick, of Proust; niets wordt geschuwd.  Registreren is niet nodig, je kunt zo je eigen Smuggie toevoegen.
Onder “Links” staat deze site, en bevat pretentieuze termen en nomenclatuur waar niemand op zit te wachten (alhoewel ik hier en daar  juweeltjes zie die erom schreeuwen  uit het vet gehaald te worden: Realpolitik, soi-disant, hoi polloi, brisance). Kun je dit allemaal handlen, dan staan er onderaan de pagina de echt flexe uitingen.

“Smugopedia: A slightly  pompous meaning about everything”, las ik ergens op  internet. Steekje hoofd boven dat maaiveld uit en spui die pedanterie!

Hiphop, hipsterdom en de BBC

woensdag, januari 16th, 2008

Toen we op 4 januari uit Berlijn vertrokken en ’s avonds thuis arriveerden was het binnen ijskoud. De HR-ketel was uitgevallen en we kregen ‘m met geen mogelijkheid meer aan de praat. Alle installatiebedrijven en storingsdiensten hadden nog vakantie, en na wat telefonisch van-het-kastje-naar-de-muur-gestuur gaven we het op; een weekendje in de kou it was.

En zo kon het gebeuren dat ik op zaterdagavond, gekleed in enkele shirts, een gewatteerde trui, muts, maillot en joggingbroek, gewikkeld in een slaapzak, Boomsma vlierbessenlikeur nippend, televisie zat te kijken. Onder andere naar een voorstelling van Theo Maassen. π had een warmer heenkomen gezocht, ergens bij vrienden. Die vlierbessenlikeur had ik in een zwarte plastic zak gedaan, een eurotrash equivalent van de welbekende overzeese bruine papieren zak. Het sloeg nergens op, die plastic zak. Maar het was een noodtoestand, en net als in oorlog en liefde was in deze kleine noodtoestand alles geoorloofd. Ik waande me een Rus, zo ingepakt en drinkend om warm te blijven. Alhoewel ik dat niet met feiten kan staven; ik weet niet of Russen op zaterdagavond ingepakt voor de tv zitten. Ze kijken naar alle waarschijnlijkheid niet naar een voorstelling van Theo Maassen, maar dit terzijde.

tv-blog.jpg

Eerder op de avond raakte ik tijdens het zappen verzeild in een muziekprogramma dat Sound heette. De titel van het programma was niet alleen erg toepasselijk en to the point; het was ook nog eens een goed programma. Kanaal 16: Dat betekent bij ons BBC 2. “Laat kwalitatieve programma’s maken maar aan de Britten over”, dacht ik bij mezelf. Ik dacht dit niet voor de eerste keer.

Sound werd gepresenteerd door twee jonge mensen die zelf ook een achtergrond in de muziekbiz hadden. Aanstormend talent en bekende artiesten werden geïnterviewd. Er werd aan ze gevraagd van wie zij muzieksgewijs grootse prestaties verwachtten in 2008. De beloftes van 2008 werden dan ook gefeatured; The Foals, Late Of The Pier, Adele (Popbitch was al erg te spreken over deze dame). Afleveringen van Sound zijn te bekijken op internet.

Ik keek meteen op bovenstaande link om te kijken of ik nog iets had gemist (ik viel het programma halverwege binnen). Maar daarvoor moest je het hele programma weer bekijken. Internet maakt soms ongeduldig vanwege de sheer possibilities die inherent zijn aan dit medium, dus ik klikte wat heen en weer op de BBC site. Ik herinnerde me een BBC Essential Mix van Black Strobe die π eens via het wereldwijdeweb had opgesnord, dus ik vroeg me af of er nog meer van die remixes beschikbaar waren. Op http://www.bbc.co.uk/radio1/essentialmix/ kun je de laatste sets beluisteren. En op Newmixes.com zijn deze remixes gratis (donatie-basis) en legaal te downloaden! Op newmixes.com vind je bovendien allerlei mixes van vooraanstaande artiesten en producers, o.a. Dizzee Rascal, Westbam, Roger Sanchez, Armand van Helden, Todd Terry en the Stanton Warriors.

Die laatste(n) gaven een mix sessie ten beste in het programma van Annie Nightingale. Ze sprak met Dominic Butler van de Stanton Warriors die een nieuwe track van hun hand liet horen: Precinct, naar de film Assault on Precinct 13 uit 1976. Regisseur John Carpenter schreef ook de score voor zijn film. Het nummer Precinct is geinspireerd op de soundtrack; Carpenter’s muziek leunt altijd sterk op synthesizerklanken en drumcomputers, die zijn films een apocalyptische sfeer geven. Ik kan deze track van de Stanton Warriors zeker waarderen; ik heb de soundtrack van Carpenter’s Escape From New York in iTunes staan. Helaas heb ik de geremasterde versie (persoonlijk geef ik de voorkeur aan de originele soundtrack, op LP), maar dat mag de pret niet drukken.

Awel, op een gegeven moment vraagt Annie Nightingale aan de Stanton Warrior of hij iets meer kan vertellen over een muziekstroming en dresscode die in New York en Baltimore (B-more!) opgeld doet; hipsters die skinny jeans en kleurige baseballcaps combineren met dito sneakers en nepgouden kettingen. Ik dacht even aan de rapgroep uit Newport, Verenigd Koninkrijk, die zich letterlijk Goldie Lookin Chain noemen. Hun fanbase bestaat ook uit lui met te grote zonnebrillen en meisjes met nepgouden protserige sieraden. Allemaal good fun. Want buiten de meligheidsfactor vond ik de GLC een erg leuke en welkome afwisseling in het vaak nogal serieuze hiphopwereldje.
xmas.jpg

Om met hun eigen woorden te spreken: You knows it!

Enfin, hiphop meets hipster meets urban meets electro meets rock. Snelle breaks met rap en dergelijke. Hipsterhop?

Op Myspace kwam ik gerelateerde voorbeelden tegen: de übercoole Leslie Hall. Afkomstig uit Ames, Iowa beheert ze een gem sweater museum (zien is geloven!). Gekleed in een goudkleurige legging treedt ze op met haar hiphop formatie Leslie and the Ly’s (momenteel bestaande uit Obese E, Mona Bonez en Dr. Laura).

leslie_and_the_lys.jpg

Scream Club wordt gevormd door Sarah Adorable en Cindy Wonderful. Dit trashy uitziende koppel combineert raps met electro en gamegeluiden, plus hier en daar een vuige housebeat.

image_100_1.jpg

Waar een kapotte HR-ketel al niet toe kan leiden. Meteen na het weekend kwam een monteur de boel repareren. De ontsteking was stuk. Iets met ionen.

LOLCats

vrijdag, oktober 26th, 2007

photos.jpg

Ik las ergens dat bloggers cat people zijn. Ik val ook in die categorie. Alhoewel ik mezelf niet zie als een hard core kattenmens; ik ben pas in 2003 overstag gegaan (Tot die tijd had ik aangenomen dat ik een dog person was. Breng één week door met twee katten en de little buggers hebben ervoor gezorgd dat je ze niet meer kwijt wilt). Tungsten en Splinter kwamen bij ons wonen. Die zijn inmiddels naar alle waarschijnlijkheid dood. Tegenwoordig houdt Rat ons huis muisvrij; ik kom regelmatig dode, al dan niet opengepulkte muizen tegen.

cloud.jpg
Toen ik klein was leek het me gaaf om een huisdier te hebben; ik had een boek gelezen waarin een illustratie stond van een ziek meisje in haar bed lag, met naast haar een open raam. Door dat open raam stak een paard zijn hoofd. Dat romantische idee heb ik niet aan mijn ouders voorgelegd, mede vanwege de onhaalbaarheid van dit concept (mijn slaapkamer was op de eerste verdieping). Ik heb mijn ouders nooit gevraagd om een diertje op te nemen in onze domicilie, want mijn moeder hield en houdt nog steeds niet van dieren. Toen ik haar eens vroeg of dieren ook in de hemel kwamen antwoordde ze met een resoluut ‘Nee’.

format.jpg

Laatst had ik een conversatie met iemand over de onderwerpen die men blogsgewijs zoal aansnijdt. Ik zei toen dat ik in ieder geval nooit over mijn kat zou schrijven. Virtuele theekransjes zijn niet aan mij besteed.

Waarom dan toch gezemel over katten alhier? Welnu; omdat ik deze week LOLCats tegenkwam op internet. Hier is een analyse van LOLCats en het ontstaan ervan, wat zijn wortels heeft in de Leetspeak (l33tsp33k) en macro’s.

apifanee.jpg

Ik vind LOLCats onweerstaanbaar. Aangewakkerd door de grammaticaal compleet foute zinnen (kitty pidgin), trekken je mondhoeken bijna automatisch hemelwaarts. Er is nu zelfs LOLCode; een programmeertaal die gebruik maakt van kitty pidgin.
Thank Cod for teh Innernet!!1!

cookie.jpg

Public Information Films

vrijdag, juni 22nd, 2007

In de jaren ‘70 van de vorige eeuw was men niet vies van een beetje shockeren als het voor kinderkens bestwil was. Ik keek halverwege jaren ‘80 veel naar Super Channel. De tekenfilm- en kinderserie-show gepresenteerd door DJ Kat en Linda de Mol vond ik geweldig.
Tussendoor, voor de reclame, als een postbus 51 filmpje, werden er PIF’s oftewel Public Information Films uitgezonden. Daar ging ik voor zitten. Ze waren gruwelijk en wisten je goed bang te maken voor gevaar dat school in machines, verkeerssituaties en elektriciteit.

Over dat laatste werd een filmpje vertoond dat intrigeerde: Drie jongens spelen basketbal. De bal vliegt over een afzetting rondom een elektriciteitsstation. Eén van de jongens gaat de bal halen en wordt geëlectrocuteerd. Daarna een vaderlijke doch strenge voice-over die ons toesprak nooit maar dan ook nooit zo’n gevaarlijke plek te betreden. Mijn interesse was gewekt. Ik ging elektriciteitsstations bouwen van lego. En ik zat braaf het hele reclameblok te kijken op Super Channel teneinde een glimp van dat spotje op te vangen.

Televisie was bij on heavily sanctioned. Dat betekende: Geen A-team, geen Dynasty of ander soaperigs, geen Moordspel, geen Carson’s Law en geen Miami Vice (wat ik als een act of rebellion wel eens heb gekeken; ik hing dan uit het slaapkamerraam om door de vitrage van de schuin-overburen te gluren. Dat was in totaal zo’n 100 meter, dus het plot is me ontschoten. Maar goed, het gaat tenslotte ook om het principe). Gelukkig heb ik als kleuter Dukes Of Hazard wel meegekregen. En ‘Allo ‘allo, wat ik soms vanwege de seksueel getinte grappen highly inappropriate -maar daarom niet minder interssant- vond (geschokt was ik bijvoorbeeld toen ik de clip When The Lady Smiles van Golden Earring zag. Barry Hay rukt de kleding van een non af, die een rode beha blijkt te dragen. Nu vond ik een rode beha te frivool voor een non, maar dat Barry Hay dat zomaar deed! Ik was dagen van slag).

Dus je kunt begrijpen dat ik er als de kippen bij was als er wat horror op tv was speciaal voor ons kinderen (ik was vroeger een ontzettende schijtlijster, maar bij deze PIF won de nieuwsgierigheid het van de angst).
Helaas heb ik dit filmpje nooit kunnen vinden, maar mijn zoektocht leverde wel andere juweeltjes op. Deze PIF komt het dichtst in de buurt van waar ik zo fijn van zat te griezelen vroeger:

Ik herinnerde me die PIF omdat ze vorig jaar op BBC Breakfast News de Charley Says filmpjes uitzonden. Prachtig geanimeerd:

En de horrifying “Apaches”. Deze film heb ik vroeger nooit gezien, maar in de comments section op Youtube wordt er terecht opgemerkt dat het gelijkenis vertoont met Final Destination, maar dan met kinderen.

Let op hoe de spullen van de overleden kinderen matter-of-factly worden op- en uitgeruimd. Dat we dit als kind vroeger kregen voorgeschoteld!

Recentere PIF’s zijn bijvoorbeeld voorlichtingsfilmpjes van Montana Meth Project. Op Youtube krijgt het filmpje de volgende beschrijving mee: A disturbing American public information film to scare kids away from meth.

Laatst vertelde ik aan π dat ik, toen ik ±8 was, eens een item over kindermishandeling op het journaal had gezien. Dat was echt brutal: Om het nieuwsitem kracht bij te zetten had men de buitenkant van een huis gefilmd, alwaar je door de vitrages het silhouet van een man zag die voortdurend een brede riem liet neerkomen. Die suggestie liet niets aan de verbeelding over, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt. π zei dat hij het ook had gezien, hij was er toen ook van geschrokken. We zijn goed voorgelicht, in een tijd dat voorlichten bangmaken en afschrikken betekende. Ondanks dat zie ik mezelf als een goed functionerende entity in onze maatschappij. Phew!

I’ll take the Strawberry Shortcut to get the chance to Go Bang

donderdag, mei 31st, 2007

De schrijver Douglas Coupland beschrijft in één van zijn boeken (Generation X? Polaroids from the Dead? Life after God?) heimwee naar het recente verleden, nostalgie naar iets wat eigenlijk nog niet zo lang geleden gebeurd is. Ik geloof dat ik last heb van het omgekeerde; gebeurtenissen van pakweg 15 tot 20 jaar geleden lijken alsof ze gister gebeurd zijn. Enfin, het blijf evengoed nostalgie of some sort.

Nostalgie overviel me toen ik “Love Is The Message” (1989) van Tom Rubnitz op Youtube bekeek. Tom Rubnitz heeft deze clip geschoten voor Paul Zone. Aangezien ik 12 was en mijn wereld nog bestond uit met barbies spelen en in de Nieuwe Weme dozen uitzoeken om barbiehuizen van de maken, heb ik deze videoclip toen niet meegekregen. Toen ik 13 werd kreeg ik een radiootje waarop ik hoorde hoe Soul II Soul’s Jazzy B en Technotronic de hitlijsten aanvoerden.

“Love Is The Message” is een tijdsdocument.Het laat zien hoe er eind tachtiger- begin negentiger jaren aan toeging, cultuurgewijs; de nasleep van The Summer of Love was in full effect, de partydrug ecstasy zette aan tot een clubcultuur van feesten en van mekaar houden. Individualisten gingen uit hun dak gingen op het Berlijnse Love Parade.
Wij waren nog te jong om mee te doen, maar we drukten onze neuzen tegen de ramen om maar niets te missen.
Het is merkwaardig hoe het bekijken van zo’n clip een stortvloed van herinneringen en herkenning teweegbrengt. Nostalgie. Ik denk dat we vaker en vaker heimwee naar het recente verleden zullen krijgen; hoe houdbaar is een trend tegewoordig nog en hoe snel volgen ze elkaar wel niet op? Twee jaar geleden, met de intrede van de eighties trend vond ik het ergens een troost dat je je precies zo zou kunnen kleden als je eigen Rockstar barbie. Of als je eigen Dolly-Dots pop. Of je eigen Jem (is truly outrageous!) pop. Maar ik vond het ook bizar dat iets wat ik zelf nog heb gedragen ineens ‘retro’ was. Worden we geestelijk sneller oud?

Awel, Rubnitz. Er is niet zoveel bekend over deze man, behalve dat hij is opgegroeid in het Midwesten van de Verenigde Staten en de tv tijdens zijn jeugd een belangrijke plaats innam. Hij is op een gegeven moment naar New York vertrokken en heeft daar het hedonisme, dat ondergronds welig tierde (zij het onder druk: denk Reagan era) omarmd.
De East Village werd door Rubnitz met veel liefde geportretteerd. Campy en genre mixend maakte hij vrolijke, idiote filmpjes met een hallucinogeen randje bevolkt door travestieten. RuPaul is te bijvoorbeeld te zien in Where’s The Pickle. Verder maakten in Rubnitz’ films de B52’s hun opwachting, alsmede Lady Bunny, Happi Phace, Lipsynchia en John Sex.

Rubnitz zelf zei over zijn films:

I wanted to make things beautiful, funny and positive -escapes that you just could get into and laugh through. That was really important to me. I felt like good could triumph over evil.

Rubnitz overleed in 1992 aan aids.

Toen ik kennis nam van het werk van Rubnitz moest ik denken aan een nummer dat ik kort tevoren op internetradio had gehoord: Springfield van Arthur Russell, geremixt door DFA. De piano/synthesizer in het nummer in combinatie met de zang was -zonder blasé te klinken natuurlijk- zo 1990..


Omdat ik zeker wist dat ik het op mijn 13e ook een goed nummer had gevonden, checkte ik de titel en uitvoerende op iTunes. Ik zocht meer informatie over Arthur Russell. Hij blijkt een disco pionier te zijn geweest. Zoals sommige nummers van Moroder nog kraakvers klinken, klinkt de funky disco met jazz invloeden van Russell alsof het gister is opgenomen. Het introspectieve karakter van zijn muziek neigt soms naar singer-songwriter achtige composities.
Midden jaren ‘70 verhuisde de oorspronklijk uit Iowa afkomstige cellist/componist/zanger van San Francisco naar New York, waar hij in een ensemble speelde. Ook werkte hij samen met o.a. Allen Ginsberg en David Byrne.
In 1979 bracht Sire Records haar eerste discoplaat uit (Kiss Me Again), geschreven door Russell, onder de nom de plume Dinosaur L.

Ook Russell overleed in 1992 aan aids.

De Village voice schreef dat de muziek van Arthur Russell zo persoonlijk was, dat het net voelde alsof hij was verdwenen in zijn eigen muziek. Tom Rubnitz is waarschijnlijk ontsnapt naar zijn eigen Sexy, wiggy, Desserty universum.

Rumours ‘n’ Slang

dinsdag, mei 22nd, 2007

Elke week wordt er een Slang City Mail in mijn inbox afgeleverd. De nieuwsbrief behandelt elke week één term uit de Noordamerikaanse straattaal. Een aantal voorbeelden zijn snootful, ig’nant, 18 dummy juice, yooper, yegg, take the Westbound, Mr. Charley.
Slangcity.com, de bijbehorende website, is gewijd aan het ontleden van straattaal uit de Verenigde Staten in song- en rapteksten en in films. Ook scheldwoorden en synoniemen voor lichaamsdelen zijn er te vinden
Onder de kop “Ask A.C.” kun je je vragen omtrent straattaal kwijt. De site is subtiel grappig, soms op het nerdige af. Bijvoorbeeld de vertaalde lyrics van de Black Eyed Peas:

(Will.i.am)
Whatcha gonna do with all that junk
all that junk inside that trunk..

(Fergie)

I’ma get-get-get-get you drunk
get you love drunk off my hump

De vertaling luidt:

(Will.i.am)
What are you going to do with your big buttocks
Your big buttocks?

(Fergie)
I’m going to get you drunk
You will feel drunk with love looking at my buttocks

A.C. Kemp, de oprichtster van de site, is momenteel bezig met het schrijven van een boek over slang.

Op Overheard in New York worden opgevangen gesprekken van allerlei gading uit de Big Apple geciteerd. Gestart door Morgan S. Friedman, die zijn bezigheid betitelt als professional eavesdropping. Intussen zijn er 2 varianten toegevoegd: Overheard in the Office en Overheard at the Beach.
Fans van Overheard mailen afgeluisterde quotes c.q. gesprekjes in, waarna het, na licht redigeren, op de site verschijnt. Er is inmiddels een OvHiNY boek verschenen van Morgan’s hand, in samenwerking met Michael Malice, de mede-oprichter en redacteur van Overheard.

Over het waarom van OvHiNY zegt Morgan Friedman:
“Something else [people] get out of it is amateur sociology. This is all about how people interact with each other. ‘I can’t believe people say this,’ or ‘I can’t believe people don’t say this,’ or ‘Why do they say this?’

“We just make sociology fun.”

De Popbitch nieuwsbrief bevat nieuws en geruchten over beroemdheden en popmuziek, overgoten met een flinke scheut azijn en satire.
Popbitch is in 2000 opgericht door Camilla Wright (journalist) en Neil Stevenson (o.a. hoofdredacteur van Heat en het ter ziele gegane The Face).
Van tijd tot tijd door controverse omgeven (na beschuldigingen aan het adres van Davis Beckham is Popbitch op last van Becks’ advocaten tijdelijk uit de lucht gehaald) en mede verantwoordelijk voor implementatie van slang zoals gak (cocaïne), Fat Tongue (Jamie Oliver) en Crack Tweety (voor Pete Doherty).