The Shield vs The Wire

juli 6th, 2010

*May contain spoilers*

Je kent het misschien wel. Je praat met iemand over tv series en je zegt dat je The Shield een gave serie vindt. De steevaste wedervraag is altijd: “Heb je The Wire weleens gezien dan?” Super irritant vond ik dat. Alsof The Wire een betere serie zou zijn dan The Shield. Pffft.
Natuurlijk is The Wire ook zo’n serie waarvan ik wist dat ik ‘m uiteindelijk zou gaan kijken, maar dit terzijde.

Een niet representatieve, onbedoelde poll mijnerzijds op Facebook liet zien dat veel vrouwen The Wire verkozen. Dat heeft zijdelings te maken met de aantrekkelijker acteurs. ‘En het minder hoge shoot em up gehalte’ typte ik er bijna achteraan. Waarmee ik zou impliceren dat vrouwen niet van aktieseries zouden houden en alle stereotypen die daarmee samenhangen. Zoals de Amerikanen het zo mooi uitdrukken: I ain’t touching that with a ten foot pole.

Ik kwam per toeval eens terecht op rtl5. Het was een doordeweekse avond. Op een tijdstip waarvan je vermoedt dat alles wat Nederlandse commerciëlen nog te bieden hebben betsaat uit primaire en secundaire geslachtsdelen.

Toch bleek er iets bekijkwaardigs; The Shield. Ik werd meteen meegezogen. Eerst probeerde ik elke week te kijken, maar door de voortdurende wisseling van programmering deed ik wat vele anderen deden en waardoor o.a. HBO zo’n ontzettend succes is geworden; ik kocht de seizoenen op dvd.

Tv-series achterelkaar op dvd kijken is geweldig. Als ik vroeger had geweten dat ik als volwassene zo nu en dan achterelkaar enorm veel gave tv zou gaan kijken, was ik de nachtjes slapen gaan afstrepen. Mijn enthousiasme voor film en tv begon met zo’n beetje met de film “Goonies”.

Goonies was een van de eerste videofilms die ik keek. Het was op een verjaardagsfeestje bij een klasgenootje. Doodsbang was ik geweest, omdat ik zeker wist dat het een heel enge film was. De bordkartonnen Sloth had ik gezien in de etalage van de videotheek Vifi2000 en elke keer als we daar langsreden met de auto keek ik uit voorzorg de andere kant op.
Natuurlijk was de film in kwestie totaal niet eng, alhoewel ik heel trots op mezelf was dat ik de aftiteling had gehaald. Kon ik in de klasgenotenboekjes eindelijk “Stranded” vervangen door “Goonies”. Stoer!

Niet dat ik nog steeds met m’n handen voor de ogen tv kijk. Dat is trouwens niet helemaal waar; ik deed dat bij Se7en, The Ring 2 (!) en Sex and the City 2. Die laatste was uit puur afgrijzen.

The Shield speelt zich af in het fictieve Farmington District in Los Angeles. Een omgebouwde kerk, dat in de volksmond the Barn wordt genoemd, doet dienst als politiebureau.
Het Strike Team, geleid door Vic Mackey, is in het leven geroepen om het bendegeweld in te perken. Dit team is gebaseerd op de Rampart Division CRASH Unit (en het schandaal waarin deze divisie verwikkeld was). Het doel heiligt de middelen, de leden van het team buigen en breken regelmatig de regels om gangsters achter de tralies te krijgen. De unit staat onder grote druk om de misdaad in recordtijd te laten dalen; alleen dan is het voortbestaan van het Strike Team te verantwoorden. Deze situatie zet de toon voor corruptie onder de leden van het team.

Vic is een ruwe bolster blanke pit type, een arrogante agent met vrienden hogerop, die er geen been in ziet om een bendelid met zijn gezicht op een hete inductieplaat te drukken teneinde hem informatie te onfutselen. Voor hulpbehoevende vrouwen en kinderen daarentegen speelt hij de redder in nood.
Shane Vendrell is een redneck en een onstabiele factor in het team. Hij voelt zichzelf snel in zijn eer aangetast en lost dat op door met zijn vuisten te praten. Curtis Lemansky, Lem, is een surfertype met een penning. Hij is de spierkracht en het meest gewetensvol. Ronnie Gardocki, de electronica-expert, blijft in het begin wat op de achtergrond, later verandert dit wanneer gangsters wraak nemen met betrekking tot het inductieplaatincident. Hij blijkt de meest stabiele van het stel.

Meteen in de eerste aflevering betreedt het team een moreel ambigue wereld door hun collega Terry Crowley dood te schieten tijdens een inval bij een drugsdealer. Crowley verzamelde belastend materiaal over het Strike team in opdracht van de hoofdispecteur David Aceveda.
Het is een koelbloedige afrekening van Mackey’s kant, en het is interessant om te zien dat deze zak hooi toch zoveel sympathie weet te wekken onder de kijkers. Ik merkte dat bij mezelf ook. Wanneer Jon Kavanaugh van Interne Zaken in het vijfde seizoen de gangen van het Strike Team nagaat, merk je toch dat je hevig op Team Mackey zit te wedden.

David Aceveda: “He’s Al Capone with a badge!”
Claudette Wyms: “Al Capone gave the people what they wanted.”

De aflevering van The Shield bevatten meerdere verhaallijnen. Verschillende personages worden gevolgd, zoals Dutch Wagenbach, een slungelige rechercheur van middelbare leeftijd in een slechtzittend pak, en Claudette Wyms, zijn partner, een vrouw die voor niets of niemand uit de weg gaat.
De hoofdinspecteur van het bureau, David Aceveda, ambieert een functie in de lokale politiek. Hij begeeft zich in een wereld waar hang naar status en politieke spelletjes aan de orde van de dag zijn. Het moeras van belangengroepen, invloedrijke projectontwikkelaars, en regelrechte chantage maakt waar het uiteindelijk om gaat -een leefbare omgeving voor de bewoners van Farmington- moeilijk te bewerkstelligen.

Dat wordt al pijnlijk duidelijk wanneer Aceveda nog gewoon in the Barn werkt. Ben Gilroy, Aceveda’s baas, heeft een affaire met een vrouw die percelen in een bepaalde buurt opkoopt om er vervolgens mee te speculeren. Statistisch gezien klopt de politie-inzet in die buurt, maar in de praktijk schiet het toezicht ernstig tekort. Gilroy weet dit; hij kan een schoonmaakactie afkondigen mocht het geweld de spuigaten uitlopen. De vele leegstaande panden worden dan gesloopt en de nieuwbouw wordt voor riante prijzen verkocht. Het is een harteloze manier om winst te maken.

“In politics, deception is reality.”

Het camerawerk is ‘op de huid’, als toeschouwer kijk je mee over de schouder van degene die in beeld is. De camera staat geen moment stabiel en imiteert zoveel mogelijk de menselijke kijkrichting; wanneer een eventuele verdachte wordt gesignaleerd in de omgeving, zoomt de camera eerst extreem in, om vervolgens ook de omgeving en dus overzicht te tonen waarin de verdachte zich bevindt. Het beeld host en gaat op en neer gedurende een achtervolging. Zo voelt The Shield direct en rauw aan. Je krijgt veel van de buurt te zien en je voelt als het ware de drukkende hitte.

shield3.jpg

Wat Mackey en zijn mannen allemaal flikken, een roofoverval op een Armeens geldtransport incluis, is soms wel erg fantastisch. Net als in ER is de actie übergeconcentreerd, niemand kan onder zo’n enorme druk werken en er een privéleven op nahouden.

Ook The Wire gaat over politieagenten en bendes. Het eerste seizoen staat in het teken van een speciale eenheid die door middel van afluisterapparatuur (wire) een grote drugshandelaar, Avon Barksdale, in de kraag wil vatten. Dit proces verloopt heel wat minder sensationeel dan in The Shield; namelijk wachten en surveilleren tot er bruikbare informatie binnenkomt.
Cedric Daniels, een consciëntieuze politieman, wordt tot leider van de eenheid benoemd; hij geeft leiding aan o.a. Jim McNulty, een goede agent, maar ook een ongeleid projectiel.

Binnen het politieapparaat in Baltimore kleurt men niet altijd binnen de lijntjes. Een aantal rookies, te weten Thomas Hauk, Ellis Carver en Roland Pryzbylewski (de laatste maakt een carrière-switch; in seizoen 4 is hij onderwijzer) wreken zich op hangjongeren, waardoor de explosieve sfeer in West Baltimore escaleert.
Formulieren worden ingevuld met niet bestaande getuigen zodat onwettig/ongeoorloofd verkregen bewijs toch zijn doorgang naar de rechtszaal vindt.

Willen agenten oprecht misdaad bestrijden of liggen eigen motivaties ten grondslag aan het bestrijden van criminele elementen?
Mackey en zijn team hebben schijnbaar plezier in intimidatie en chantage van gangsters. McNulty vindt het belangrijk om criminelen slimmer af te zijn. Hij behandelt misdaden als een persoonlijke puzzel (‘They don’t get to win, we get to win!’). Dutch Wagenbach hoopt op een zaak van Ted Bundy-achtige proporties, en draaft qua terminologie nogal eens door in zijn analyses.

Elk seizoen van The Wire belicht een bepaald aspect van de samenleving. In het eerste seizoen zijn dat de projects aan de westzijde van Baltimore, alwaar Barksdale zijn waar slijt. Alle gangsterrap ten spijt; er wordt getoond hoe eentonig en slopend het straatleven is.
Niet alleen het perspectief van de politiemacht wordt getoond, maar ook dat van de dealers en de verslaafden. Zo vormt The Wire een sociaal drama, een epos, waarin verschillende verhalen met elkaar worden verweven zodat je een overzicht van Baltimore als stad krijgt. Ook is het goed opletten geblazen; even naar de keuken lopen voor een kop koffie is niet aan te raden want je mist algauw een detail of twee. Het denkwerk wordt aan de toeschouwer overgelaten.

wire1.jpg

Seizoen 2 gaat over de havenwerkers, een uitstervend ras. Seizoen 3 belicht een nogal onorthodoxe aanpak van het drugsprobleem in East Baltimore. Raadslid Tommy Carcetti stelt zich verkiesbaar als burgemeester, hij komt in hetzelfde wespennest terecht als Aceveda in The Shield. Seizoen 4 en 5 gaan respectievelijk over het schoolsysteem en de gedrukte media; de redactie van de Baltimore Sun.

Een opvallend personage binnen de seizoenen van The Wire is Omar Little. Omar is een homoseksuele gangster die de Barksdale organisatie regelmatig berooft van geld en drugs. De drugs gooit hij weg. Omar is een free agent, een renegade. Zijn vriendje wordt als wraak op een vreselijke manier ter dood gebracht; zijn lijk wordt gedumpt op het dak van een auto. Vanaf dan zijn “B” en Little gezworen vijanden. Wanneer Barksdale het veld moet ruimen voor de nieuwe kingpin Marlo Stanfield, gaat Omar door met zijn activiteiten. Zelfs een gebroken been na een vluchtpoging van een balkon houdt hem niet tegen.

Zowel The Shield als The Wire staan bol van de memorabele scènes. In het derde seizoen van The Wire koopt Snoop, lid van Marlo Stanfield’s bende, een spijkerpistool. De verkoper informeert haar over de verschillende modellen en ze neemt het exemplaar dat hij adviseert. Ze geeft de verkoper een stapel biljetten met de woorden: “This should do it”. De verkoper reageert verschrikt, verwijst haar naar de kassa en zegt en dat ze hem te veel geld geeft. Snoop antwoordt: “Nah man you go handle that for me man. And keep the rest for your time.” Wanneer de verkoper protesteert zegt ze: So what man, you earned that buck like a motherfucker, man. Keep that shit.”
De (hilarische en tegelijkertijd beangstigende) monoloog die de verkoper duidelijk maakt wat voor type Snoop is en waar ze voor staat, geeft aan dat hier twee mensen met elkaar praten wiens werelden mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

“Cadillac of nailguns. He meant a Lexus, but he ain’t know it.”

In het vijfde seizoen van The Shield speelt Forest Whitaker een agent van Interne Zaken, Jon Kavanaugh, die onderzoek doet naar de malafide praktijken van het Strike Team. Het inrekenen van Mackey wordt een ware obsessie voor Kavanaugh en hij doet hetzelfde waarvan hij Mackey beschuldigt: hij laat de regels voor wat ze zijn en wendt alles aan om het team in te rekenen. Whitaker speelt de persoon Kavanaugh met verve, griezelig en dreigend. Op het moment dat hij beseft dat de arrestatie van Mackey hem door de vingers glipt volgt er een woedeuitbarsting waarbij je je afvraagt of deze man überhaupt nog zal kunnen functioneren binnen het politiecorps.
Kavanaugh intimideert Lemansky, lid van het Strike Team zodanig dat deze zich gedwongen voelt afluisterapparatuur te dragen. Hij is betrapt met een pakket heroine, en Kavanaugh gebruikt dit feit om een wig tussen de leden te drijven. Wat volgt is een subliem kat en muisspel, waarbij Lem een vechtpartij met Vic initieert waardoor deze erachter komt dat Lem ge ‘wired’ is. Vanaf dat moment probeert het Strike team door te werken zonder dat er iets belastends aan het licht mag komen. Een mooi voorbeeld hiervan is de scène waarin Shane Vendrell een vieze mop vertelt, zo getimed dat Lem net genoeg tijd heeft om via een tekstverwerkingsprogramma op een laptop Mackey te informeren op over het hoe en wat van de afluisterapparatuur.

Qua karakterontwikkeling en de privépersoon achter de agent vind ik de personages in The Wire soms wat dun. Vooral in het eerste seizoen. McNulty scharrelt met de openbaar aanklager, Rhonda Pearlman. Wanneer zij hem, na een van hun avonturen tussen de lakens, vraagt waar hun verhouding heengaat, antwoordt McNulty dat hij het weer wil proberen met zijn vrouw. Voor de kijker lijkt deze motivatie uit het niets te komen.
In latere seizoenen krijgen de karakters meer volume, maar vooral in het begin van The Wire lijken de privélevens van de politiemensen bijzaak, een noodzakelijk kwaad en soms ook nogal clichématig (McNulty de zuipende Ier bijvoorbeeld). De misdadigers daarentegen lijken inhoudelijk gezien meer allround.

En drinken Amerikaanse agenten echt zoveel? De nachtelijke bijna-coma-zuipsessies van McNulty met zijn collega Bunk zijn zo regelmatig dat het verwonderlijk is dat ze ‘s ochtends hun bed uit kunnen komen.

Een scène waarin de persoonlijke kanten van karakters in The Wire op een komische manier samenkomen speelt in het vierde seizoen. Hauk en Carver (beide van Daniels’ voormalige surveillance team) plus vriendinnen, komen in de hal van een bioscoop Bodie en Poot tegen, ook beide met vriendin. Bodie en Poot zijn drugrunners voor Barksdale. Ze nemen vorsend elkaars vriendinnen op. Je ziet ieders hersenen op volle toeren draaien, niet wetend hoe zich buiten de professionele situatie te moeten gedragen.
“See you tomorrow”, zegt Bodie, waarna hun wegen scheiden.

De privélevens van personages in The Shield vind ik al vanaf het begin meer geïntegreerd in het geheel. Vic Mackey steelt geld van misdadigers, zijn motivatie hiervoor zijn zijn drie kinderen waarvan er twee autistisch zijn, hun opleiding en begeleiding kost veel geld. In het gezinsleven schiet hij hopeloos tekort. Hij laat zich gelden op straat, maar daarbuiten weet hij niet wat hij met zichzelf aanmoet. Hij denkt dat hij zijn kinderen helpt door het geld achterover te drukken. Maar als er onderzoek wordt gedaan door IZ, komt zijn gezin ook onder een vergrootglas te liggen. De druk om alles te verdoezelen wordt alleen maar groter. Hij is nog verder van huis, letterlijk en figuurlijk.
Het team valt langzamerhand uitelkaar. Het dieptepunt wordt bereikt wanneer Shane Lem doodt met een hangranaat. Aceveda heeft Shane een leugen voorgehouden en Shane is er sindsdien van overtuigd dat Lem het Strike Team erbij zal lappen. Wanneer Mackey verneemt wat Shane heeft gedaan volgt een emotionele ontknoping.
Het Strike Team gaat zo over de morele schreef dat ze uiteindelijk alleen elkaar nog hebben. Ook dat blijkt een illusie.

Waar The Shield inzoomt, laat The Wire het grote geheel zien. In The Wire worden enorm veel personages geïntroduceerd, gebaseerd op echte mensen uit Baltimore, en hun levensloop wordt door de 5 seizoenen vervlochten. De losse eindjes worden niet altijd keurig afgehecht, wat de serie een realistisch karakter geeft, een maatschappij in flux. Bij The Shield zijn aanwijzingen vaak wel een onderdeel van een clou, er gebeurt niets voor niets. Daarmee worden seizoenen echt ‘afgerond’ en werkt de serie echt als zodanig; een serie. The Shield focust vooral op het politieapparaat, The Wire neemt ook de kant van de criminelen in ogenschouw. The Wire doet me zo nu en dan denken aan het werk van de fotograaf  Camilo José Vergara, die verschillende stedelijke onderwerpen jaar na jaar op de gevoelige plaat vastlegt, zodat er een documentair archief ontstaat, een sociaal portret.

De rechercheur Kima Greggs is lesbisch, maar daar wordt binnen het surveillanceteam van McNulty en Daniels niet echt een probleem van gemaakt. De strenggelovige, homoseksuele Julien Lowe heeft het aanzienlijk moeilijker in the Barn. Hij worstelt met zijn geaardheid en probeert te veranderen door middel van gebed en hulp vanuit de kerkgemeenschap. Tijdens een zogeheten blanket party (het slachtoffer is een arrestant, een travestiet die Julien’s partner in haar arm beet) slaat hij, letterlijk en figuurlijk, zodanig door dat zijn collega’s hem moeten wegtrekken.

Reginald “Bubbles” Cousins, een vroegere informant van Kima Greggs, weet na jaren van drugsmisbruik clean te blijven. In het laatste seizoen wordt zijn levensverhaal opgetekend door een journalist van de Baltimore Sun. Op het moment dat Bubbles zijn foto in de krant ziet kan hij dat deel van zijn leven afsluiten en wordt hij door zijn zus en haar kind als familie geaccepteerd.
Duquan “Dukie” Weems is intelligent, maar ziet, ondanks de hulp die zijn voormalige onderwijzer Pryzbylewski aanbiedt, geen kans om zijn talenten te benutten en te ontsnappen aan de ellende in zijn buurt. Aan het eind van het laatste seizoen zien we hem beginnen aan waar Bubbles korte metten mee maakte; een heroïneverslaving.

Zowel The Shield als The Wire laten zien dat politiewerk vaak dweilen met de kraan open is (het gedoe met de misdaadstatistieken in The Wire en de voortdurende druk in the Barn om de misdaadcijfers zo snel mogelijk omlaag te moeten krijgen). Aan het eind van de dag staan de prostituées weer stevig op hun hoek geplant en wordt er gedeald alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Het is om moedeloos van te worden.

En wat is de stand? Shield of Wire? Wat mij betreft is het niet òf-òf maar èn-èn. Twee series die inzicht geven in de werking van het Noordamerikaanse politieapparaat. Zoveel meer dan dat.

Sonic Youth verstript

juni 30th, 2010

Ik vind Sonic Youth een van de beste bands ooit. En dat is best een boud statement mijnerzijds, want je hoort mij niet zo snel zeggen dat iets ‘het beste ooit’ is. Alle uitingen van goedkeuring, van ‘waanzinnig’ tot ‘geniaal’, zijn aan mij pas besteed als ik het ook echt vind. Om maar te zwijgen van alle geniuses en amazings die je de hele dag op tv en internet voorbij ziet komen. Net als Elaine in Seinfeld, zet ik vraagtekens bij het voortdurende gejubel waarbij bovengenoemde termen zo vaak in de mond worden genomen dat ze aan waarde verliezen. Maar goed. Sonic Youth. Amazing, breathtaking, genius!

Zo.

Sonic Youth werd geassocieerd met de no-wave scene, ze werkten samen met Richard Kern, waren zijdelings betrokken bij de Cinema of Transgression, kwamen deels uit het orkest van Glenn Branca…veel gaver kan hun achtergrond wat mij betreft bijna niet worden. Op Youtube staat een filmpje waarin ze worden geïnterviewd over hun politieke keuze (pre-Obama) en daarin lijken ze bescheiden, welbespraakt, kortom; übercoole vijftigers wiens laatste album gewoon weer retegoed is. Dat is nog eens elegant ouder worden. Hun muziek. Ik wilde er wel eens wat mee doen. “Candle”, “Joni”, “Kissability”, “Wish Fulfillment”, “JC”, “Theresa’s Sound World”, “Pipe line/ Kill Time”, keuze te over. Ik vind de nummers van SY erg beeldend, een wereld op zich. Werken met SY op de achtergrond heeft me meerdere malen net die kickstart gegeven die ik nodig had. Dus begon ik met het in strip omzetten van een nummer dat al langer in mijn hoofd hing: “Rats”, van het album “Rather Ripped”, uit 2005. De tekst is geschreven door Lee Ranaldo. Zijn teksten zijn surrealistisch, op het bombastische af soms (we watch her fall over and lay down, shouting the poetic thruth of high school journal keepers).

Zijn teksten hebben een vagelijk onderwerp, en als je denkt te weten waar het over gaat, glipt het weer weg. Dat was voor mij met “Rats” het geval (Wish fulfillment bijvoorbeeld is wat minder cryptisch, maar “Pipeline/ Kill Time” is weer erg vreemd).

“You are the moon beyond your mind”.

“Let me place you in my past, with other precious toys”.

Het was een uitdaging om dit soort zinnen uit te beelden, waardoor er hier en daar een verschuiving optrad qua beeldtaal. Onder andere omstandigheden zou ik een hartvormige plas bloed veel te dramatisch hebben gevonden, maar bij deze songtekst paste het juist erg goed.

De strip gaat over een scheefgelopen relatie, vervreemding van elkaar, eenzaamheid, en misschien toch een klein beetje hoop. Dit alles speelt zich af in New York, met name de West Village en een beetje Bronx (dat zijn hersensprongen die ik me heb veroorloofd te maken; het komt waarschijnlijk omdat ik zelf echt op de uitgebeelde plekken heb gelopen). De strip werd geëxposeerd tijdens de Ficomic in Barcelona, in galerie RAS.

rats1.jpg

rats2.jpg

rats3.jpg

rats4.jpg

rats5.jpg

rats6.jpg

rats7.jpg

When the rats run riot
And the screen door slams
When the trees grow quiet
Nothing but cats and cans
When the breeze says try it
But you can hardly see
When your love has died
And you rat on me

I see your eyes in the half-light
I see the number on your wall
Endless strange things I see at night
You don’t see anything at all

Shine a light into your soul
City streets so freezing cold
City shadows wander out
When they let the rats out
Rats
You call it love alright
That was the catch
Cold suicide
Let me place you in my past
With other precious toys
But if you’re ever feeling low down in the fractured sunshine
I’ll help you feel the noise

Shine down
You can go on home
Shine down
Go
Go

Rats
You’re working overtime
You are the moon beyond your mind
When the rats run riot
And the screen door slams
When the world goes quiet
You’ll know where I am

You could be my open road
You could be the reason why
You could ease my heavy load
But I want to freeze you out now

You can let it shine
Keep that in mind
When they let out a rat next time
You could move a little closer
Until you’re leaning all up around my shoulder
See these shadows walk around
When they let the rats out

R. Stevie Moore

juni 21st, 2010

Er was eens een muzikant. Hij woonde in een huis, waar hij zich vaak verschanste in zijn zelfgebouwde studio. Hij was al 40 jaar bezig met het componeren van de meest prachtige liedjes. Geen genre was hem te gek. Hij bracht al zijn liedjes zelf uit, en maakte geen onderscheid in goede of minder goed geslaagde nummers. Allemaal belandden ze op een cassettebandje, of op vinyl, zodat er op een gegeven moment meer dan 400 releases op zijn naam stonden.

Hij schreef bijvoorbeeld een ingetogen liedje over iemand die geen eten kon betalen. Een ander liedje ging over hoe hij ervan hield om gewoon thuis te blijven. Als je ernaar luisterde kon je ervaren hoe fijn het eigenlijk is om in je eigen huis rond te scharrelen terwijl je vrienden de bloemetjes buiten zetten.

Niet alle liedjes hadden tekst. Dat gaf niet, want ook de instrumentale nummers waren de moeite waard. Een liedje was genoemd naar de orkaan David; een stuwende drum en wervelende piano’s wekken het beeld van een wilde wolkenlucht op. De energie van een nummer zoals World’s Fair zorgde ervoor dat je het de hele dag keihard in je auto zou willen draaien.

Sommige liedjes waren best droevig, maar zo wonderschoon dat je ze telkens weer wilde beluisteren.

Op jongere leeftijd was de muzikant vanuit het zuiden van de V.S. naar de oostkust verhuisd, omdat hij in de regio, waar de nadruk op country werd gelegd, z’n draai niet kon vinden. Gek genoeg zou zijn muziek op latere leeftijd gelardeerd raken met country-invloeden, iets waar hij toch prima mee uit de voeten scheen te kunnen.
Zijn oom, die aan de oostkust woonde, moedigde hem aan in zijn muzikale ontwikkeling, en hij produceerde zijn eerste plaat.
Maar op één of andere manier scheen zijn muziek nooit aan te sluiten bij wat er op dat moment in de muziekwereld speelde. Hij bleef een einzelgänger.

Toch bleef hij liedjes maken. Hij nam zijn muziek op, signeerde en verstuurde vervolgens de cassettebandjes (later werden dit cd-roms) aan mensen die dat hadden besteld. Die vraag werd almaar groter toen internet haar intrede deed, en er ontstond een trouwe groep fans die zijn muziek online hadden ontdekt.
Helaas werd hij er niet rijk van. Maar hij hield zo van muziek en van het maken ervan, dat hij er niet mee kon of wilde stoppen.

Er traden jongere artiesten voor het voetlicht die zijn muziek kenden en erover praatten in interviews. Ze wilden graag met hem samenwerken omdat ze hem als een genie beschouwden.

Omdat de jongere artiesten hem op handen droegen, werd hij meer en meer gevraagd om zijn muziek live ten gehore te brengen. Maar de muzikant was inmiddels op leeftijd en de kwalen die met ouderdom gepaard gaan weerhielden hem ervan om aan al die verzoeken te voldoen.

Absurd genoeg bleef zijn talent onontdekt door zowel platenmaatschappijen als een groter publiek.

De muzikant hoopt nog steeds op erkenning van zijn oeuvre. Hij componeert onverdroten voort, verschanst in zijn studio.

rsm.jpg

John Gilmore

juni 14th, 2010

John Gilmore

Eindelijk heb ik doorgevoerd waarvan ik in 1998 een mentale notitie had gemaakt; een aantal boeken aanschaffen van de auteur John Gilmore.

In 1998 kwam ik in aanraking met het tijdschrift Fringe, dat ter meeneem lag op het Crossing Border Festival. Daarin stond, naast informatie over het boek van Michael Gira (ook nog niet gelezen), een interview met John Gilmore.

Ik was wel bekend met pulp romans van Elmore Leonard, maar deze John Gilmore scheen fascinerende true crime verhalen te pennen over de trashy zijde van Tinseltown en daar was ik erg benieuwd naar.

Ik vond het lastig aan informatie te komen over deze schrijver. Het enige wat ik had was dat nummer van Fringe. Internet was nog gerantsoeneerd, want de enige plek waar ik iets kon opzoeken was op de computerwerkplaats op de academie (plekje reserveren, anders vol). Omdat ik nog moest leren hoe informatie te zoeken op internet, belandde ik steevast op Amazon.com. Niet zo gek natuurlijk, maar de informatievoorziening aldaar vond ik te summier.

Gilmore is behoorlijk succesvol, dus waarschijnlijk bevond ik me gewoon aan de verkeerde kant van de oceaan, speurdersgewijs.

Een aantal weken geleden begon ik in zijn boek L.A. Despair. Nu ik terugkijk is het gek dat ik moeilijk op gang kwam in het boek, want toen ik er op een Spaans terrasje eens goed voor ging zitten kon ik het nauwelijks wegleggen. Het verhaal over het leven van pornoster John Holmes en de aan hem gekoppelde Wonderland moorden (bloediger dan de bekende Tate/ LaBianca moorden door de Manson Family, waar Gilmore overigens ook een boek aan wijdde) is gruwelijk en leest als een trein.

Het verhaal over Barbara Payton raakte me; een koppige eigenwijze vrouw die roem en rijkdom zoekt, dat vindt, en uiteindelijk letterlijk in de goot eindigt. De foto’s spreken boekdelen. Van blonde schone naar tandeloze drugsverslaafde, de afkalving is genadeloos.

payton.jpg

Ik schafte Gilmore’s bestseller, Severed, aan. Een van de meest legendarische onopgeloste moordzaken: The Black Dahlia. Wat kun je
daarover vertellen dat nog niet is gezegd? Het gegeven is een paar jaar geleden nogal inspiratieloos verfilmd, ik verwachtte iets met veel feiten en cijfers.

Had ik het even goed mis!

Het boek uit 1994 sleurt je mee in het korte leven van Elizabeth Short, de Black Dahlia. Gilmore beschrijft haar jeugd tijdens de Grote
Depressie, haar dromen en haar liefdesleven tegen de achtergrond van WOII en Pearl Harbor. Je voelt zijn affiniteit met -en kennis van- deze tijd en de kringen waarin ze verkeerde.
Ze maakte plannen hoewel ze deze nooit in iets concreets omzette. Ze had geen vaste verblijfplaats, zwevend tussen realiteit en de droom om door te breken. Die doorbraak zou er nooit van komen.

De acteur Franchot Tone, later Barbara Payton’s geliefde, schetst het beeld van een getroubleerde vrouw, die het aan eelt op de ziel leek te ontbreken. Hij was bijna bang voor haar, bekende hij. John Gilmore heeft Short zelf nog ontmoet, toen hij 11 was, enkele maanden voordat ze werd vermoord. In Severed noemt hij de persoon die naar alle waarschijnlijkheid de dader is.

Omdat Gilmore wil dat de lezer het verhaal in wordt getrokken houdt hij zich niet bezig met het optekenen van allerlei data. Op deze manier voelt het leven van de Black Dahlia ècht en niet als een chronologisch geschiedenislesje, waarbij je onbewust afstand neemt omdat het drama zich in het verleden afspeelt.

John Gilmore is scriptschrijver, acteur, regisseur, gonzo journalist. Hij schrijft op subjectieve en anekdotische wijze. Zijn verhalen staan bol van het taalgebruik van voorbije tijden,  en zijn alinea’s bezitten een dynamiek, alsof je in een cadillac met grote snelheid dwars door de volzinnen racet.

Hij was een goede vriend van James Dean (over wie hij later een boek schreef). Hij hing met Eartha Kitt en werd gerekend tot de Night Watch (een denigrerend bedoelde term, bedacht door de roddelpers), een groepje motorrijdende jonge acteurs dat Googie’s, een coffeeshop op Sunset Boulevard frequenteerde tot in de late uurtjes. Hij onderhield vriendschappen met o.a. Françoise Sagan, Brigitte Bardot, en Dennis Hopper.

Maar die glinsterende hoogtijdagen van Hollywood, toen de V.S. nog het Kanaän van de wereld scheen, zijn geteld.

Gilmore is een overlevende van die tijd, van de beat-generatie, waarin men kwistig met allerlei drugs strooide: Dennis Hopper was tijdens het maken van Easy Rider zo high dat hij vergeten was een aantal scenes te filmen. Na het feestje ter ere van het afronden van de film moest er dus toch weer op locatie geschoten worden. Gilmore bevond zich voortdurend onder mensen die de glijdende schaal van sex drugs en rock ‘n’ roll afroetsjten, zoals Janis Joplin, Jim Morrison en James Dean.

In de film Fear and Loathing in Las Vegas krijgt de film een grimmig karakter wanneer Hunter S. Thompson en zijn advocaat het hotel waarin ze verblijven vluchten. Ze belanden aan de noordkant van Vegas, waar de advocaat een serveerster tot op het bot beledigt als hij haar per briefje een zeer oneerbaar voorstel doet.

Die scène, die uitzichtloosheid en ranzigheid, daaraan moet ik denken als ik het relaas van bijvoorbeeld Barbara Payton of John Holmes lees. Het verhaal van John Holmes gaat ook over zijn ‘vriendschap’met Eddie Nash, een van de belangrijkste onderwereldfiguren van die tijd in Hollywood. Nash’ praktijken zijn ronduit duister.

Gilmore wilde eerst een compleet boek aan zowel Nash als Payton wijden, maar al die ellende vreet na verloop van tijd een gat in je ziel. Hij zag er vanaf. “Disheartening” noemt hij het zelf.

En je krijgt nogal wat voor je kiezen als je de dagboeken van Charles Schmid (Cold Blooded-The Pied Piper of Tucson) in handen krijgt en
Charlie Manson, Bobby Beausoleil en de meisjes van de Manson Family interviewt.

Al met al schetst Gilmore een fascinerend tijdsbeeld over de schaduwzijde van het leven in zowel de ‘fast lane’ als in de marge van het bestaan.

Ik begin handenwrijvend aan zijn oeuvre.

Opening De Kampensche School in de Nieuwe Vide, 4 juni 2010

juni 8th, 2010

De opening was een succes. Lekkere courgettesoep en brood waren een goede bodem voor het onvermijdelijke gefeest wat later op de avond nog zou losbarsten.

expo1.jpg

expo2.jpg

expo3.jpg

expo4.jpg

expo5.jpg

expo7.jpg

expo8.jpg

expo9.jpg

Tot over twee jaar maar weer!

De Kampensche School in de Nieuwe Vide-Stripdagen Haarlem 2010

juni 3rd, 2010

Op dit moment zitten wij, de Kampensche School, in de Nieuwe Vide in Haarlem.
De Kampensche School bestaat uit Striptekencollectief Lamelos (Boris Peeters, Jeroen Funke, Aleks Deurloo, Sam Peeters), striptekenaar Schwantz, Politiek Cartoonist TRIK, media designer TweemeterPeter en filmmaker/animator Robert Sex.
Met papier, kleurtjes, bier, snoep en matrassen reageren we als gekken op elkaars werk, en dat van Oost-Europese strip-, kunst- en beeldenmakers. Erg veel nadenken doen we niet, we zijn vooral bij elkaar aan het afkijken, en elkaars spullen aan het namaken en dat van de Oost-Europeanen, maar de productie ligt dan ook nogal hoog. In 4 dagen tijd wordt de expositie-ruimte van de Nieuwe Vide gevuld met woeste schilderingen, tekeningen, collages en filmpjes. Ook zal er een magazine gemaakt worden en wat daar in komt te staan is nog volstrekt onduidelijk.

bank.jpg

Speciale gast is Levan Busurashvili, een van oorsprong Georgische
kunstenaar, die twee prachtige boeken maakte voor het gebeuren. Deze zullen bij de opening gepresenteerd worden, samen met het hilarische tweede deel van ‘Beestjes’, door Schwantz.

Ook hangt er werk van talent uit Oost Europa. Zsolt Vidak (Hongarije) speelt met twee- en driedimensionaal in een absurde setting, Grycja Erde’s (Oekraïne) werk is ingetogen, dromering, maar ook dreigend, zoals haar  “Structures” die in de Vide te zien zijn.
Aleksandra Woldanska (Polen) maakt ook structuren, maar dan van een meer organische aard; alles groeit en bloeit in haar merkwaardige universum.
Lehel Kovacs (Hongarije) tekent letters, schrijft tekeningen. Alles valt schijnbaar spontaan inelkaar.
Kotryna Zukauskaite’s  (Litouwen) “Diary Of A Box” is een ontroerend beeldverhaal over een doos. Prachtig in zijn eenvoud.
Maja Veselinovic  (Servïe) maakt o.a. stripverhalen, die met veel lol en enthousiasme lijken te zijn gemaakt. Vliegende-Mickey-Mouse-schotels van blik, dieren-wezens met sportbroek; de sky is letterlijk de limit.
Robotata’s  (Polen) illustraties zijn, afgezien van een goed doordacht kleurengamma, mooie verkenningen van werelden waar bijvoorbeeld Jules Verne over schreef.
Bartosz Kosowski (Polen)maakte etsen bij Nick Cave’s boek “And the ass saw the Angel”. Met een minimum aan beeldende middelen maakt hij op een verfijnde manier prachtig werk dat door het fraseren van beeldelementen enigszins aan strip doet denken.

De opening is aanstaande vrijdag, om 19:00 uur, op de vooravond van de Stripdagen Haarlem. Onder het genot van soep, broodjes en de nodige biertjes kun je de resultaten bekijken van 4 dagen de Kampensche School in de Nieuwe Vide.

vide.jpg

De Nieuwe Vide is gemakkelijk bereikbaar vanaf het station (vijf
minuten lopen), maar ook vanaf het centrum (ook vijf minuten: loop, vanaf de markt via richting Molen de Adriaan, dan bij de Koepelgevangenis aan je rechterhand rechtdoor, onder de treinbrug door, drukke weg over, loop de wijk in en je bent er).

expo datum 4-6 juni
opening 4 juni, 19:00 u t/m/ 22.00 u
Nieuwe Vide
Minckelersweg 6
Haarlem

PUHA

maart 22nd, 2010

Sinds afgelopen weekend heeft Utrecht er een winkelattractie bij; PUHA, een initiatief van Said Belhadj, Chantal Ehrhardt en Taam Karsdorp. Gelegen aan de Hardebollenstraat, gezellig in de rosse buurt. Vrijdag vond de opening plaats waarbij ik helaas de fabuleuze modeshow heb gemist, maar ik was gelukig één van de weinigen, gezien de massa mensen die de straat buiten PUHA bevolkten. Mannen- en vrouwenkleding, sjiek, straatwear, en ook eco-vriendelijk; alles gemaakt door jonge ontwerpers. Broches van keramiek, panty’s van Queues de Sardines.
Beige, knalgeel, zwartwit, patroontjes. Erg divers, in een kek ingericht pand.

Ga kijken!

PUHA
Hardebollenstraat 8
3512 TP Utrecht

ma t/m wo & vr 11:00-19:00 u
do 11:00-21.00 u
za 11:00-18:00 u
koopzondag 12:00-17:00 u

Een Oude Ray Gun (1)

februari 28th, 2010

raygun.jpg

Toen de Berlijnse Muur viel in 1989 was ik 13. Op de lagere school leerden we tot dan toe over het IJzeren Gordijn. Ik geloof niet dat ik echt doorhad wat dat inhield, ik zag alleen een stug waaierend gaasgordijn voor me, in de geest van Christo’s kunstwerken. Het klonk wel mysterieus.
Toen Tito nog leefde, was Joegoslavie een goed bezocht vakantieoord, Dat leek mij ook erg exotisch. Mijn oma, die samen met mijn opa Joegoslavië als vakantiebestemming had bezocht zei vaak tegen me dat de tijd nog wel zou komen dat ik zelf met het vliegtuig zou gaan reizen. Dat was natuurlijk een geweldig vooruitzicht.
Als ik uit logeren was bij mijn andere oma, Beppe, las ik de oude meisjesromans die daar in de kast stonden. Joop ter Heul, Herrie-Let. Hopeloos ouderwets. Een wereld waarin meisjes, als ze niet meteen een gezin stichtten na school, als typiste op een kantoor werken tot ze door een fatsoenlijke jongeman het hof werden gemaakt.
In de Gerda Omnibus, schopt Gerda het tot stewardess en daarnaast slaat ze ook nog een piloot aan de haak (ook adopteren ze een kindje uit Afrika, dat de piloot liefkozend zijn ‘koffieboontje’ noemt. Dat soort koloniale termen kunnen toch echt niet meer zou je zeggen, toch werd er een tijd terug in het dating-programma Take Me Out een gelijkwaardig staaltje ten beste gegeven. Oy Vey!)

Toen ik 13 was, kon ik me sowieso niet zoveel over de toekomst voorstellen. De plaatsen waar het allemaal scheen te gebeuren leken zo ver weg. Ik was op m’n elfde een keer naar Ahoy in Rotterdam geweest. Samen met mijn vader, die ik als een man van de wereld beschouwde, nam ik de trein naar deze metropool. We gingen met de metro naar Ahoy. Ik at mijn eerste pizza daar in een winkelcentrum.
Daarvoor was ik eens met Beppe meegegaan toen ze haar nicht in Leeuwarden bezocht, deze nicht woonde driehoog. Eén blik op het trappenhuis in de portiekflat en ik wist dat ik altijd een balkon boven een achtertuin zou verkiezen. Mijn eigen Manifest Destiny heeft daar haar wortels.

De beelden van huilende, juichende mensen op tv, toen de Muur openging; ik zag het op tv en wist dat ik naar iets keek wat ook in de daaropvolgende decennia als iets belangrijks zou worden gezien. Maar zo voelde het helemaal niet.

Vorig jaar, tijdens een hangweekend bij vriendin M bekeken we haar oude agenda’s. Blijkbaar hadden we in 1992 dezelfde agenda gehad, want ik herkende de Pall Mall reclames, het verslag van de modellenwedstrijd, en de veilig vrijen campagne. De eerste zin van de Pall Mall advertentie is, nu ik terugkijk, onbedoeld grappig: “Ik zei nog zo, linksaf!” Verdwaald in een ruig lanschap, poseert een nors kijkend stelletje in stoere kleding. Iets met een fourwheel drive en veel zand. Internet stond in de kinderschoenen en gedrukte media was nog oppermachtig. In het boek “Standing On The Shoulders Of Giants” worden de “Masters of Advertising”  (2001, Hermann Vaske) geïnterviewd waaronder George Lois en Jerry della Femina (die eens een presentatie aan een klant gaf waarbij hij deed of hij voorlas, in werkelijkheid stond hij met een leeg vel papier in handen).
Sommige advertenties uit die tijd hebben werkelijk lappen tekst voor hedendaagse begrippen.

Toen ik midden in de jaren 90 zat vond ik dat decennium ondefinieerbaar. Terugkijkend valt er genoeg te categoriseren. In 1992 was ik blij dat die belegen jaren ‘80 eindelijk voorbij waren. Ik was ervan overtuigd dat de jaren ‘90 stijlsgewijs een enorme vooruitgang zouden zijn en dat er een breuk zou worden gemaakt met alles wat 10 jaar daarvóór hip was. Mijn denkfout was dat ik dacht dat ik wist wat stijl was.

Tijdens lessen op de kunstacademie (1995) waren studenten als een gek tijdschriften aan het verknippen en plakken (laatst keek ik met vrienden de serie ‘Lipstick on your Collar’ van Dennis Potter, en toen zei iemand tijdens de kantoor-scènes: “Kijk eens naar die bureaus. Geen computers. Alleen maar papier.”). Het magazine Rails was gewild. In de trein van en naar Kampen werd de kreet “rails hoort thuis in de trein” niet gehoord.
Begin vorig jaar bezocht ik het Moma in New York, waar op dat moment een expositie van George Lois te zien was. 32 van de door hem ontworpen Esquire covers uit 1992 werden geëxposeerd. Ook de werkwijze van George Lois kwam aan bod.
Het was verfrissend om te zien hoe zijn concepten zonder nullen en enen tot stand kwam.

Bladen die we gaaf vonden waren o.a. Blvd (tot Gert Jonkers het voor gezien hield als hoofdredacteur), Interview, de gebonden Mediamatic issues met interactieve cd-roms, Fringe, en natuurlijk de Ray Gun, met als held de artdirector David Carson. Nu ik een OV  studentenkaart had, ging ik regelmatig naar Amsterdam, waar ik uren doorbracht in het American Book Centre en Athenaeum.

Ik heb nog steeds stapels Blvd’s thuis liggen. Een oude Metropolis M (Revolt!) ligt op de stapel nieuwere issues, maar wat ik bovenal koester is #71 van Ray Gun, met Chris Cornell op de cover. Als ik dat nummer doorkijk is het of ik over m’n schouder terugkijk naar de tijd waarin het blad vers van de pers was, en niet half aan gort gesneden door een fileermesje. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dit blad oorspronkelijk niet van mij is. Het was van π, en hij en zijn fileermesje waren toentertijd onafscheidelijk. Het nummer is altijd blijven rondslingeren tot aan ons samenwonen in Arnhem aan toe. Tijdens ons uiteengaan en het hele cd-van-jou-cd-van-mij gebeuren ben ik eerlijk geweest in het verdelen. Maar ik was erg gehecht geraakt aan die Ray Gun, en ik had het idee dat het blad me meer vertelde over 1999 dan al mijn dagboeken uit die tijd ooit zouden kunnen zeggen. Dus nam ik het mee.

Interviews met bands die de melktand des tijds niet hebben doorstaan, de Silver Tab reclames met illustraties (de tekengolf was net weer aan het opkomen) de sneakers met alternatieve sluitingen. Zaterdagmiddag in kleermakerszit op de grond, schetsend, tijdschriften en boeken lezend met Sublime, Pavement, of Jane’s Addiction op de achtergrond. Een instant sentimental journey. Er kwam zoveel nieuws op m’n pad en tegelijkertijd weet ik nu hoe vreselijk naïef we toen waren.

David Carson had bij het verschijnen van # 71 de redactie van Ray Gun allang verlaten. Carson is natuurlijk enorm bekend geworden door zijn onorthodoxe layouts en gebruik van fonts. Zijn stijl van typografie suggereerde het einde van geprinte media (gezien de groeiende populariteit van internet), verschilende typefaces werden doorelkaar gegooid, zodat tekst een onontwarbare kluwen werd, waar geen touw meer aan vast te knopen was.

In de tweede helft van de jaren ’90 verspreidde internet zich snel. Ik begon Netscape sympathiek te vinden en heb nooit aan het logge en onelegante Internet Explorer kunnen wennen. Toen ik doorkreeg hoe je informatie moest zoeken was ik uren zoet. Ik zocht websites op die door magazines werden aangeprezen (o.a. baader-meinhof.com)

Op nieuwjaarsdag 2010 keek ik ’s middags een film “A Chance of Snow”, die, erg genoeg, op imdb.com nog een 5,9 scoort ook. Het gaat over een echtpaar met kinderen. De ouders willen gaan scheiden, maar ze komen vast te zitten op een vliegveld. Michael Ontkean speelt de overspelige man, en geloof me, je wilt Sherrif Truman uit Twin Peaks niet in zo’n draak van een film zien.

Ik probeerde te raden in welk jaar deze film was gemaakt. Mijn gok was 1989/90. Op de aftiteling stond 1998.

Late nineties romcoms have abosolutely abysmal costume departments, merkte een Facebook vriendin laatst op. En ze heeft gelijk. Toch heeft “A Chance Of Snow”. iets troostends. En dat sentiment hangt ergens tussen ‘wat liepen we er toen vreselijk bij’ en misschien stiekem toch al een beetje nostalgie. Toen er nog geen Iphone was, maar we status ontleenden aan het Swatch horloge.
In het boek Generation X, Tales for an accelerated culture (1991, Douglas Coupland) deelt een van de hoofdpersonen een dierbare herinnering met zijn vrienden. Hij vertelt dat hij zelfs tijdens moment al heimwee had terwijl de gebeurtenis nog in volle gang was.

Mattel, Reaganomics, kernwapens. Swatch, Golfoorlog, Green River Killer.
In elk decennium zijn er rottigheden en ellende, maar tot m’n 16e was ik redelijk afgeschermd (en op de academie las ik geen kranten). Ik leefde ook een beetje in m’n eigen fantasiewereld, dus mijn beeld is enorm vertekend. Dat is misschien maar goed ook; ik heb me per slot van rekening genoeg zorgen gemaakt over het verdwijnen van de aardlagen en zure regen, als 10-jarige, voor het slapengaan.

raygun2.jpg

Een Oude Ray Gun (2)

februari 28th, 2010

raygun3.jpg

De tijdlus waarin iets van  ‘cool’, naar niet cool gaat en vervolgens hernieuwd succes krijgt, lijkt steeds korter te worden. Hipsters/ scenesters dragen kleding die behoorlijk fugly zijn, maar door hun ‘ironische’ waardering van die lelijkheid wordt het dragen ervan weer ok. Tevens wekken hipsters de indruk dat ze totaal onverschillig staan tegenover hoe men op anderen overkomt. Alle marginale subculturen worden op een hoop gegooid, authenticiteit wordt opzettelijk gepresenteerd als afgeragd. Alles is referentie.
En daar steekt een ander fenomeen de kop op, in 1993 geïntroduceerd door de filosoof Jacques Derrida in zijn werk “Spectres de Marx”, namelijk Hantologie (Hauntology).

Hauntology is de tegenpool van nostalgie. De term is een portmanteau van Haunt en ontology. De term geeft aan dat het heden alleen kan bestaan in relatie tot het verleden. Derrida stelt in zijn werk uit 1993, Spectres of Marx, dat “aan het eind van de geschiedenis” (refererend aan het essay van Francis Fukuyama uit 1989), men standpunten over ideeën, die eerder als archaïsch en ouderwets werden bestempeld, zal herzien. Men richt zich niet zozeer op het feitelijke verleden alswel op de ‘geest’ van het verleden.
De scheidslijn tussen het verleden, heden en toekomst is dun. Het heden wordt altijd door verleden en toekomst beïnvloed, ze overlappen elkaar. Hauntology gaat in die zin over het Shakespeariaanse ‘to be or not to be’, een nogal paradoxale staat van ‘zijn’.  Het concept “geest” behoort noch tot het heden, noch tot het verleden.

Derrida’s idee is gebaseerd op Karl Marx’ bewering dat “Un spectre hante l’Europe - le spectre du communisme.”. Derrida stelt dat de geest van het communisme aan relevantie heeft gewonnen na de val van de Muur. Omdat Europa nu herenigd is, en er geen lijden meer is onder een dictatuur, is ze geïsoleerd van het lijden dat zich in de rest van de wereld afspeelt.  Als gevolg hiervan zal de interesse voor het communisme binnen Europa uiteindelijk weer toenemen.

Ik heb boeken gelezen over het Kafka-eske karakter van de DDR en ik kan me niet voorstellen dat men, Ostalgie ten spijt, weer terug zou willen naar het communisme. Inwoners van de voormalige DDR zijn hier en daar wel sympathisant, dat kan ik me ook wel voorstellen gezien de manier waarop de hereniging tussen Oost- en West-Duitsland heeft plaatsgevonden. Maar ik krijg er een ‘vleespotten van Egypte’ gevoel bij.

Volgens Fukuyama ging de evolutie van de geschiedenis altijd over de strijd tussen verschillende overtuigingen. Dat gevecht wordt beslecht na de Koude Oorlog en de val van de Muur, zo schrijft hij in zijn boek “The end of History and the last Man”. De constitutionele democratie zal als ultieme regeringsvorm worden gezien, politiek- en economisch liberalisme zullen zegevieren.

Maar economisch liberalisme valt vaak samen met kapitalisme. In een tv-interview uitgezonden door de ZDF, zegt de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace dat de werking van het kapitalisme en het aanzetten tot consumeren een goed systeem is om een economie draaiende te houden, maar dit is niet geschikt voor het sociale aspect van de maatschappij. Naar aanleiding van de crises die ons in de Noughties hebben geteisterd zie je niet de saamhorigheid die werd beschreven tijdens bijvoorbeeld de Grote Depressie in de jaren ‘30 in de V.S., zo redeneert hij. Men sluit zich nu op in een SUV, men sluit zich af in dit tijdperk van verregaande individualiteit.
De invloed van het kapitalisme doet zich gelden op het culturele vlak, zo stelt ook Fredric Jameson in zijn werk “Postmodernism, or, the Cultural Logic of Late Capitalism” (1991).  Culturele innovatie stagneert. Entertainment entertaint slechts en daagt niet uit.

Een geschiedenisdocent op de Havo tekende eens een lijn op het schoolbord. Aan de ene kant van de lijn noteerde hij “extreem links”, aan de andere kant “extreem rechts”. Daarna vervormde hij deze rechte lijn tot een cirkel. Extreem links en rechts stonden ineens vervaarlijk dicht bijelkaar. Verregaande individualiteit en grijze massa zijn minder grote tegenpolen dan ze ons toeschijnen. Een voorbeeld is hoe internet (sub)culturen versneld verspreidt. De mainstream bestaat bij de gratie van de marge. Invloeden uit marginale bewegingen worden opgepikt, ontdaan van de scherpe randen en gepresenteerd als nieuw en origineel. American Apparel is wat dat betreft een McDonalds op het gebied van kleding geworden.

Misschien dat Hauntology daarom weer overal opduikt. Muzikanten als Ariel Pink, Burial, en Washed out maken in hun muziek gebruik van het Hauntology uitgangspunt. De nummers van Burial refereren niet zozeer aan de rave scene, ze roepen een vaag idee op van die scene, zonder er een concrete uitspraak over te doen. Ik las in een recensie van zijn album “Untrue” dat de muziek nog het meeste het gevoel na een rave weergeeft, de lege dansvloer, de pillen die zijn uitgewerkt. Een verlangen naar iets dat nooit echt was.

Ariel Pink’s muziek klinkt als een kapotte transistorradio, maar zijn liedjes zijn bijzonder catchy, en ondanks de schijnbaar nonchalante uitwerking voelen de nummers als echte liedjes. Brian Wilson is een grote invloed, maar Ariel geeft aan die invloed een geheel eigen draai, alsof zijn nummers in een parallel universum zijn opgenomen.

Washed Out klinkt als muziek die ik vroeger als 10-jarige goed had gevonden, iets wat de oudere zussen van mijn vriendje op hun slaapkamer gedraaid zouden hebben (Washed Out klinkt bekend en nieuw tegelijk. Je denkt dat je de tracks herkent, en tegelijkertijd weet je dat dat niet zo is). Bij gebrek aan een eigen oudere zus, keek ik enorm tegen hun op, met als gevolg dat ik alles omarmde wat zij interessant vonden. Washed Out is geen vingeroefening in het retro spandex jaren 80 kunstje, maar meer etherisch. Nadat je in Club Tropicana in dat zwembad bent gesprongen, word je overspoeld door een verlangen op te gaan in de kleuren en indrukken om je heen. “Feel it all Around”.

Zelfs J Dilla wordt zijdelings geassocieerd met Hauntology, omdat zijn nummers een bric à brac zijn van geluidjes, vage effecten, en obscure non referenties.
Horen we muziek in het toevallig samengaan van geluiden?

Ik las dit op internet en vond het een heel mooie verwoording van wat Hauntology in muziek nu ongeveer behelst:
[…]music as recorded artifact, facing both backwards and forwards simultaneously, an inscripted trace that is neither presence nor absence but a spectral apparation that both references and eludes such binary oppositional catagories (sic)[…]
(gepost door ‘John Doe’ op dissensus.com)

Zo nu en dan sla ik die oude RayGun weer open, de modereportages ogen nog best fris, zo ook de spreads met daarin een item over “ Best of Graduate Fashion Week” in Londen. Ik probeer de inhoud met nieuwe ogen te zien. Want hoe oud een tijdschrift ook is, als het je herinnert aan waardevolle gebeurtenissen, momenten, ideeën, vind je tussen de regels, of als je net wegkijkt, iets anders, iets wat voor jezelf -zelfs 13 jaar na dato- weer relevant kan zijn.

raygun4.jpg

Camilo José Vergara

februari 5th, 2010

Wanneer mijn hoofd gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan New York gerelateerde media en tv, begint het weer te kriebelen. Berlijn is bruisend, Londen is lommerijk, Frankfurt is vrij fantastisch, maar een stad als New York; ‘it takes the cake’ zogezegd.
Laatst vroeg ik me af of je van een stad meer kunt houden dan van een persoon. “nee” zei iemand. Ik weet het achterliggende argument niet meer. Iets van ‘een stad kan geen liefde en affectie teruggeven zoals een persoon dat kan’. Denk ik. Een stad bestaat ook bij de gratie van mensen, dus mijn vraag was bij voorbaat al genullificeerd. Een stad zonder mensen is een beetje zoals New York in de film ‘Escape from New York. Wat eigenlijk wel weer leuk is.

escfny.jpg

Veel tv-series die zich in metropolen afspelen nemen bekende gebouwen als ijkpunt. Bij ons is dat het trambelletje in Nederlandse series; “ooh, het speelt zich af in Amsterdam!”. In MTV’s The City, Sex and the City, Gossip Girl komt het Chrysler Building meer dan eens voorbij:

“Where the spire of the Chrysler Building is the ultimate fetish object and even blocky old 1633 Broadway gleams like magic onyx.”–Troy Patterson

Freud zou er een leuk project aan hebben.

Ik zag Camilo José Vergara’s werk voor het eerst op internet, als link op een site van een Canadees die een thesis schreef over stedelijk verval. Hij had een geweldig online archief, waarin bijna elke grote tot middelgrote Amerikaanse stad vertegenwoordigd was. Helaas werkt deze site niet meer naar behoren.

Vergara is socioloog en fotografeert sinds de jaren zeventig o.a. het leven en architectuur Noordamerikaanse steden. Zijn werk is een registratie van hoe de urbane omgeving door de decennia heen verandert.
Vergara wordt vaak vergeleken met Jacob Riis, een sociaal hervormer, die mede aan de wieg stond van de Newyorkse ‘tenements‘. Ook was hij een pionier op het gebied van fotografie.
Zelf heb ik Vergara’s boek “Subway Memories”, waarin de vele stations en treincoupés op de gevoelige plaat zijn vastgelegd. Een geschiedenis van één van de grootste en oudste metro-routes van de wereld. En haar reizigers.

Een andere fotograaf wiens werk ik bewonder is Robert Frank. Toen ik zijn boek “The Americans” in handen kreeg was ik enorm onder de indruk. Ik keek het elke dag door voordat ik het dichtdeed en zelf ging tekenen. Robert Frank wordt ook wel de “de Tocqueville” van de fotografie genoemd; zijn werk vormt een ’sociale documentaire’.

Frank maakte in de jaren ‘40 en ‘50 van de vorige eeuw korte metten met de in de fotografie tot dan toe geldende conventies als zorgvuldig kadreren en uitlichten. Ook straalde zijn werk geen optimisme uit, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Robert Frank fotografeert verval en getekende levens. Als geheel vertellen de foto’s ons over de V.S. in die tijd. Consumptie als deugd; de prijs die men hiervoor betaalt, en de groter wordende kloof tussen arm en rijk.

In tegenstelling tot Frank, die inzoomt, korrelige foto’s maakt, en de poëzie achter het alledaagse weet bloot te leggen,  gebruikt Vergara zoveel mogelijk gelijkmatige belichting. Geen regen, niet teveel schaduw, zodat het onderwerp zo ‘objectief’ mogelijk kan worden vastgelegd. Zijn beelden zijn helder, alsof ze ons iets willen uitleggen. Registratie lijkt de hoofdmoot, het stramien van onze maatschappij wordt getoond.

a1988.jpg

Fotoseries van Vergara zijn o.a. te zien op Slate. Eén serie op de site boeide me in het bijzonder en dat zijn de foto’s van verschillende kinderdagverblijven in de V.S. Sommige wel erg treurige foto’s zijn genomen in de jaren negentig, maar ook het kinderdagverblijf in Los Angeles uit 2009 ziet er uit als een fort.

17.jpg

Velen brengen hier tegenin dat het interieur van de getoonde gebouwen haaks staat op de buitenkant. Aan de westkust van de V.S. schijnt men zelf cactussen (cactii?) onder de ramen te planten; een bewezen preventief middel om inbrekers buiten te houden.